|
|
Preken: Marcus 4, 26 - 34
Door Nel van Cuijk, gehouden op 18 juni 2006
Koningschap van God: een woord dat in ons wil werken
We
zijn in de gewone liturgische tijd geraakt. Pasen, Hemelvaart,
Pinksteren, Drie-eenheidzondag, we hebben het achter ons en nu
kunnen we aan de slag met de opgedane ervaringen. Het begint als
vakantie want stel je voor.
Aan
de oever van het meer, doe even je ogen dicht en stel het je voor
dat je aan de oever van het meer zit, het is waarschijnlijk lekker
weer. In de boot zit een man, een leraar, een bijzondere leraar dat
heb je al gehoord. En dan hoor je dat het is met het koningschap van
God als met een mens die zaad uitstrooit op de aarde. Het ontkiemt,
zet vrucht maar je weet niet hoe, of – in een ander beeld van Jezus
– dat allerkleinste zaadje wat toch een prachtige plant voortbrengt,
of dat kleine twijgje wat door God zelf geplukt wordt uit de hoogste
boom en wordt geplant op de berg van God. Beelden, voorstellingen
uit de landbouwwereld, uit de natuur, uit dat wat je dagelijks voor
je ziet. Tedere beelden die in mijn ogen verwondering willen
oproepen.
Het
koningschap van God, daar vertelt Marcus over en dat is net even
iets anders dan het koninkrijk van God. Het koninkrijk lijkt meer
territoriaal bepaald, het koningschap van God is wereldwijd en alle
mensen omvattend. Natuurlijk heeft die eerste kring rond Jezus
gehoopt op herstel van het koninkrijk van God in politieke termen;
ze wilden immers een vrij Israël en Jezus zou dat vrije Israël
stichten. Dat was wat de menigte verwachtte en ook de leerlingen –
aanvankelijk. En het was voor hen en voor velen een enorme ommekeer
om van dat koninkrijk af te stappen en te luisteren naar dat
koningschap van God.
Dat
woord over dat koningschap is een woord dat – hoe klein ook – in ons
wil werken, in mij en jou. Hoe het werkt is een geheim, een
verborgen gebeuren, het blijft een geheim hoe het zaad tot ontkiemen
komt. Niettemin wordt dat koningschap Gods zichtbaar en goed
zichtbaar, en schept het ruimte voor vogels van allerlei pluimage.
Overigens moet het fabeltje uit de wereld dat een mosterdplant
takken zou krijgen, dat is niet zo. Het krijgt wel grote bladeren
waar vogels tegen de warmte kunnen schuilen.
Het
woord over dat koningschap Gods is voor Jezus zijn doopervaring
geweest, die stem in zijn binnenste “jij bent mijn geliefde zoon”,
die kracht van Heilige Geest die hem op dat moment bezielde en
waaraan hij trouw gebleven is en waarvan hij getuigd heeft. En zo’n
woord is, denk ik, iets wat ons allen wel ooit is overkomen, het is
als een eerste verliefdheid, iets wat je zomaar zonder dat je er
iets voor hoefde te doen, aan goeds is overkomen; het is de genade
van de verwondering, de genade van de vergeving. Wie een of meerdere
van deze dingen wel eens ervaren heeft weet ook dat ze verdwijnen,
dat die eerste verliefdheid een desillusie kan worden, zoals het
zoon, dochter van God zijn de kruisdood met zich mee kan brengen.
Wij
en de meeste mensen willen de dingen maken, wij willen dat
koninkrijk hier en nu, wij willen de zaken onder controle hebben, en
dat wat zich onzichtbaar voor onze ogen en hersenen voltrekt
wantrouwen we. Wat daar diep in de aarde ontkiemt, diep in onze ziel
wortel wil schieten dat kan van alles zijn en dat moeten we bekijken
en eventueel bestrijden. Een dezer dagen zei een van onze gasten
tegen mij: ‘Ik heb vandaag gezaaid, bloemen gezaaid’, en daar was ze
blij van geworden. Ja, dacht ik later, zaaien is iets wat je veel
minder vaak doet dan wieden. Wij zijn het grootste deel van ons
leven bezig met wieden, met het bestrijden van onkruid en onmacht,
van wanhoop en wantrouwen.
De
ervaring van Jezus zegt: blijf vasthouden aan die eerste ervaring;
je hebt gezaaid, er is iets in mij en jou gezaaid, en geef onkruid
en onmacht niet de kans om die ervaring te overmeesteren.

Dat is een harde weg, maar de kracht van een zaadje liefde is
niet te stuiten. Ik nodig u uit om straks na de dienst op het
parkeerterrein te kijken. Daar groeien dwars door het asfalt en het
grind heen de nieuwe scheuten van de acacia, die oude boom die
geveld moest worden. De nieuwe scheuten ontstaan overal, en ze komen
door alle verharding heen toch opnieuw boven. Ook door de dorheid,
de afbraak, de stugheid, het echec heen: er komt uiteindelijk
vruchtbaarheid.
Dat
zou ik de tweede verwondering willen noemen. Durf het aan om in die
tweede verwondering te komen, laat het zaad van je geraakt weten in
je werken. Durf het te laten werken want de andere kant ervan is
cynisme, onverschilligheid, die houding van het zal mijn tijd wel
duren en aan mijn lijf geen polonaise. En dat is echt zonde. God wil
wel, zegt Ezechiël: God haalt een scheutje van de acacia en het
groeit door beton heen.
God
wil wel, zegt Jezus, kijk maar naar de mens die slaapt en werkt, en
hoe het zaad ontkiemt al is het nog zo klein.
God wil wel, kijk maar naar de vrouw in ons
midden die vijftig jaar lang geoefend heeft in zuster zijn: zuster
met een heilig hart, zuster van onze Hooge-Berktgemeenschap.
|