|
|
Preken: Marcus
1, 40 - 45
Door Koos van Etten
Homilie
We hebben op verschillende zondagen al een
verhaal mogen horen uit het evangelie volgens Marcus. We hebben bij
het begin gehoord hoe tegen Jezus gezegd werd: "Jij bent Mijn Zoon,
veelgeliefd". Daarop vertrok Hij vol geestkracht. We hoorden
verhalen over de roeping van de eerste leerlingen, over de genezing
van een man met een onreine geest in de synagoge, over de genezing
van de schoonmoeder van Simon – in het evangelie van de vorige week
– en over de genezing van nog allerlei andere ziekten. Telkens
hoorden we in die verhalen echter ook iets van "ja maar, let op,
kijk uit; ga niet uitsluitend met het enthousiasme mee, want er is
ook nog iets anders in Hem, in deze man uit Nazareth: een geheim".
We horen dat vandaag ook. Er zitten twee kanten
aan het verhaal: een binnenkant en een buitenkant. De kinderen
hebben ons dat zojuist al in woord en beeld gepresenteerd. Ik denk
dat dat in dit verhaal inderdaad heel sterk naar boven komt. Probeer
je eerst maar even in te leven in de situatie. Er is een melaatse,
een man met een huidziekte, die zeker in die tijd uit de groep gezet
is, gewoon omdat hij als een besmettelijk gevaar voor de gezondheid
beschouwd wordt. Gaandeweg is het ook een teken geworden: iemand die
melaats is, is een uitgestotene, een paria. Het wordt een patroon:
hij aan de rand van de samenleving en wij hier in het centrum. Zo
benoem ik het maar even. En als we dan gaan kijken wat dat voor ons
in deze tijd zou kunnen betekenen – we hebben dat gisteren tijdens
de schriftlezing zo wat in ons laten opkomen -, dan is dat
vergelijkbaar met mensen met aids, over wie nu ook vaak een doem
ligt. Soms kun je het ook vergelijken met mensen, die om wat voor
reden dan ook maatschappelijk uitgestoten zijn, misschien mensen met
een WAO- of bijstandsuitkering. Die worden toch ook vaak als maar
half beschouwd, niet helemaal voor vol opgenomen. Je zou hierbij ook
kunnen denken aan mensen met een geheel andere overtuiging, die zo
anders is dan die van mij of die van ons. Blijkbaar hebben wij de
neiging om het niet alleen te laten bij de gedachte dat het nu
eenmaal zo begonnen is en dat het een reden heeft dat zo’n mens even
aan de kant gezet wordt, maar dat wij de neiging hebben om er als
het ware een patroon van te maken. Zoals we ook uit het verhaal van
de eerste lezing over een melaatse hoorden, wordt de positie van de
melaatse in dit evangelie zelfs nog voor God en mens bevestigd:
iemand die aan een huidziekte lijdt moet naar de priester, die het
op zijn beurt moet controleren en zeggen "zo is het nu".
Dan horen we in
het verhaal hoe Jezus optreedt. Die melaatse komt naar Jezus toe en
smeekt Hem: "Als Gij wilt kunt Gij mij reinigen." Ik versta daarin:
"Alsjeblieft, help me toch! Ik kan het zo niet meer uithouden!" En
dan staat er in de tekst een prachtig woord, dat hier vertaald is
met ‘door medelijden bewogen’, maar dat eigenlijk een woord is dat
Jezus tot in zijn binnenste, tot in zijn ingewanden – we hoorden
hier deze week de term ‘tot in zijn buik’ – raakt. Hij wordt geraakt
van binnen. Hij steekt zijn hand uit, raakt de man aan en doorbreekt
daarmee dat patroon van diens onaanraakbaarheid en
buitengesloten-zijn. Hij haalt hem als het ware met zijn hand weer
binnen, op de eerste plaats bij Hemzelf: "Ik wil, word gereinigd."
Maar je voelt aan dit ene stukje tekst dat hij door die ene Mens
wordt opgeroepen om in zijn eigen roeping te gaan staan, of liever –
zoals Marcus dat door de verhalen heen laat zien – in die messiaanse
roeping. Zijn geestkracht komt helemaal door. "Ik wil, word rein",
staat er, maar Hij plaatst Zich als het ware in die wil van God, die
scheppingswil, creatief, de situatie niet laten bij wat er is, maar
de patronen doorbreken om gemeenschap, om volk te vormen.
Dat is eigenlijk in
eerste instantie het verhaal dat hier
verteld wordt. Daarbij kwam bij mij de gedachte op dat dat inderdaad
ook onder ons kan gebeuren. Zo nu en dan zie ik het. Zo nu en dan
maak ik het weer mee en dan denk ik "hè, er is weer iets opengekomen".
We hebben hier op deze zelfde plaats tijdens een
bibliodrama-bijeenkomst iets dergelijks gespeeld. Daarbij heb ik
gezien hoe je iemand die buitengesloten is eigenlijk ook ver buiten
je kan zetten, zo met een idee van "nou ja, zo is het nu eenmaal".
Je moet echter beiden een stap zetten en naar elkaar toekomen, en
dan kan er iets tussen mensen gebeuren. En het gebeurt onder ons. Ik
zie het en ben er blij mee.
Je zou kunnen
zeggen dat het verhaal hier had kunnen eindigen met: "Alles heeft
Hij welgedaan. Wonderlijk toch: doven doet Hij horen, stommen doet
Hij spreken en melaatsen trekt Hij weer binnen in de gemeenschap!"
Het verhaal gaat evenwel verder. Het is nog maar halverwege, want
dan staat er "en terwijl Hij hem wegstuurde, vermaande Hij hem …"
Jezus wordt bijna kwaad, "toornig". Dat is een woord met een heel
emotionele lading. Hij voelt als het ware dat, als Hij deze man nu
alleen maar zo laat gaan, het proces nog maar halverwege is. Dan
lijkt het aan de buitenkant allemaal wel lief en aardig, maar dan
verstaat die man het teken nog niet. Jezus ziet dat en zegt heel
bezorgd tegen die man: "Zorg ervoor dat je aan niemand iets zegt en
ga naar de priester, zoals het is voorgeschreven volgens de Tora."
Zoals we gisteren gehoord hebben staat Jezus zelf helemaal in die
Tora. Hij kent hem en leeft daaruit en zegt: "Zorg ervoor dat de
Tora gebeurt. Dat geldt niet alleen voor jou, maar ook voor Mij. Ik
ken hem, ik weet het, want dan pas kan het voor God en mens helemaal
openkomen. Dan pas heeft het werkelijk zijn betekenis gekregen." De
man gaat echter heen – er staat niet bij hoe of waarheen; misschien
is hij nog pas op weg naar Jeruzalem – en geeft overal ruchtbaarheid
aan de zaak. Er staan eigenlijk woorden, waarvan je zou kunnen
zeggen dat ze bij Jezus horen. De man verkondigt, maar uit het
verhaal blijkt dat hij toch eigenlijk meer zijn eigen verhaal zit te
vertellen als een soort sterk verhaal – "Hij heeft dat gedaan!" –
dan dat hij zegt wat het werkelijk betekend heeft.
Het gekke is dat,
hoe meer deze man begint te vertellen, hoe meer Jezus zelf zich
terugtrekt en eigenlijk wordt als die melaatse aan het begin: aan de
rand, in de stilte, ver weg. Eigenaardig toch dat het verhaal zo
eindigt. Ik vroeg me af wat dat toch is dat Jezus zich zo terugtrekt
in de stilte. Ik voelde daarbij wel zoiets van "ja, Hij voelt zich
niet erkend, maar ach, zou dat nou het grootste motief zijn?" Van
binnen voelt Hij dat Hij nog een andere opdracht heeft dan alleen
maar deze buitenkant van te laten zien hoe bevrijdend het werkt als
je genezen raakt, als je openkomt, als die geestkracht ook in je
doorkomt. Ik kan het eigenlijk alleen maar vermoeden, maar je zou
kunnen zeggen: "We moeten ook nog geduld hebben met de evangelist en
het evangelie om het verhaal verder mee te voltrekken en je af te
vragen wat er nog verder zou openkomen." Ik voel het wel als een
beweging van ons: enerzijds blij zijn en dankbaar om wat er gebeurt
tussen mensen, waar de communicatie openkomt en je het bevrijdende
gevoel krijgt dat er iets van je afvalt, en tegelijk ook nog die
terugkeer naar de stilte, het zoeken naar de betekenis en dan de
hoop dat in die mens Jezus, die ook onder ons leeft, die Heer van
leven, het geheim van leven werkelijk openkomt.
Zo mogen we luisteren naar dit evangelie. Zo
mogen we, met de kinderen, zien naar de buiten- én naar de
binnenkant. Zo mogen we ons weten rond deze tafel, in Hem verbonden,
om die weg samen met Hem te kunnen gaan.
|