Foto: Preken - Marcus
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Marcus 1, 29 - 39

Door Leonie van Straaten, gehouden op 5 februari 2006

 

“Op zoek naar God; een goede boodschap!”

 

In de afgelopen week hoorde ik van twee mensen die me dierbaar zijn – en niet veel ouder dan ik – dat zij pas op de plaats moeten zetten omdat hun lichaam grenzen aangeeft. Dat maakt even stil, dat zet ook mijzelf aan het denken. En ook in andere ontmoetingen werd de vraag opgeroepen: Wie is de voedingsbron, door wie laten we ons voeden en gezeggen, opdat we ons van harte geven aan een zaak, maar niet opbranden?

Daarnaast las ik in de afgelopen week een interview met Edward Schillebeeckx, nu 91, waarin hem gevraagd wordt wat de belangrijkste zaak is waaraan de kerk – wij – in deze tijd aandacht moeten besteden. Zijn antwoord is: Aan het bestaan van God als levende realiteit. En hij benadrukt hoe belangrijk het is om juist in onze tijd God ter sprake te brengen.

Het één heeft voor mij met het ander temaken; we zijn zoekers én we hebben gevonden – hoe getuigen we hiervan, over eigen grenzen heen?

 

De 1e lezing laat horen hoe Job zoekt en strijdt met zijn realiteit. Terecht protesteert hij tegen de Godsbeelden van zijn tijd – hij is de mens die in de nacht en in het onbegrip naar God blijft zoeken.

Niet ver weg, maar ín de realiteit van deze wereld wil God met mensen zijn. Wij weten hoe die realiteit eruit ziet. Hij breekt in, dat vierden we in de weken van Kerstmis. Sindsdien krijgen we de kans om aan de hand van Markus te zoeken naar het hoe en wat: hoe wordt er iets zichtbaar?

In ieder geval gebeurt het niet van vandaag op morgen, maar gaandeweg. Jezus is gekomen om de paden van de Heer recht te maken. Hij is de mens die op weg gaat om zichtbaar te maken hoe de wereld eruit zou zien als God bron van leven zou zijn, de Enige voor allen. Jezus maakt op zijn weg zichtbaar wat dit inhoudt: het is een weg die vraagt om vertrouwen én bekering. Het is een genezende weg. Zó wordt er iets zichtbaar van Gods inbreken in de wereld. Als er mensen zijn die blijven zoeken naar God – en hiervan durven getuigen, in woord en daad.

 

Het evangelie laat hierover wel iets horen volgens mij.

Jezus is onderweg met de eerste leerlingen die hij geroepen heeft. Ze zijn achter hem aangegaan, zonder precies te weten wie hij is. Enthousiast, in vuur en vlam, maar misschien ook wel vol beelden over wat komen gaat, als je alles inzet op deze weg. Zij waren erbij, toen Jezus sprak met gezag en herkend werd door een onreine geest. Herkend, maar niet erkend. Ze moeten de verwondering in het volk beleefd hebben. Wie is hij toch, dat hij spreekt met gezag?

In het huis van Petrus – en later ook nog vóór dit huis, maken ze mee hoe het gezagvolle spreken uitwerkt: Jezus voegt de daad bij het woord. De kracht van God toont zich blijkbaar niet alleen in woorden, niet alleen bij daglicht, niet alleen in de synagoge of in de kerk; deze kracht toont zich ook in de nacht, ook als wij hem niet ervaren, in een burn-out, in een crisis, in de leegte. We begrijpen niet hoe – we ervaren misschien heel lang niets; dan zijn we aangewezen op ons vertrouwen. Maar God is ook aangewezen op ons vertrouwen, op onze waakzaamheid, onze bereidheid om hem te willen ontmoeten.

 

Markus vertelt ons dan, dat Jezus in de vroege ochtend de eenzaamheid opzoekt om te bidden. In gesprek zijn met God, luisteren, zelf in een goede verhouding blijven. Hij is immers al beproefd in de woestijn – hij kende zijn bestemming.

De leerlingen zoeken hem op – omdat iedereen hem zoekt. Iedereen is gekomen om genezen te worden, iedereen, ook de leerlingen, verwachten dat dit succes verder gaat. Mijn logica gaat hier met de leerlingen mee, maar onze verwachting wordt ruw verstoord: er staat meer op het spel dan een oppervlakkig succesverhaal, eind goed, al goed: Jezus trekt verder. De goede boodschap over God moet overal, voor iedereen verkondigd worden. Dat is zijn bestemming. Zijn optreden is niet het onmiddellijke einde van alle lijden, maar het begin van een nieuwe weg die doorwijst naar God. De leerlingen volgen Jezus op deze weg, maar zullen ook veel van hem niet begrepen hebben, beelden moeten loslaten, bijstellen.

 

Dat geldt nog steeds voor hen die Jezus volgen. Wat wij hier doen gaat ons verstand toch ook te boven?

Want ik zie ons als mensen die zoeken en blijven zoeken naar God. Soms vol vuur, maar zonder te begrijpen. Soms door jaren van leegte heen. Maar hoe dan ook, ieder van ons moet regelmatig beelden over God, over Jezus loslaten. En dus ook over gemeenschap, over kerk zijn in Zijn naam. Jezus volgen is niet meteen een succesverhaal.

In dit opzicht kan de schoonmoeder van Petrus ons bemoedigen. Want zij ligt in bed, wordt verteerd door koortsvuur. Er zijn allerlei redenen te bedenken voor haar ziekte – maar terwijl iedereen in huis over haar praat, maakt Jezus er geen woord aan vuil: hij neemt haar bij de hand. En zij staat op. Ze staat op eigen benen, ze neemt de verantwoordelijkheid voor haar leven op zich en diende Jezus. En dit woord zegt niets over bedienen, maar over dienen. Dienen maakt mogelijk dat de ander kan zijn en worden zoals hij bedoeld is. Dat is een levenshouding die wordt gewekt, als een mens zich bij de hand laat nemen. Het is zoeken én vinden. Zo kan christelijk leven concreet worden, zo komt God ter sprake, gaande de weg.