Foto: Preken - Marcus
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Marcus 1, 14 - 20

Door Tineke Renkema, gehouden op 22 januari 2006

 

Kom tot inkeer en hecht geloof aan het goede nieuws

 

‘Was ons schoon, Heer.

Ons handelen is besmet door eigenwaan.

We zijn niet leeg genoeg om u en uw zuiverende werking te ondergaan.’

 

Zo zijn wij deze dienst begonnen en ik besef maar af en toe hoe goed het is en hoe nodig om zo te beginnen. Ik weet niet hoe het u vergaat, maar soms vliegt het me aan, om me heen kijkend, naar mijzelf kijkend hoezeer ons ik, op welke manier dan ook, ons in beslag neemt. Het is goed om te erkennen dat er geen ruimte is voor de ander, voor het appèl van de ander. Of we nu teveel van onszelf overtuigd zijn of te weinig: het draait uiteindelijk te vaak om ons eigen ik en dat maakt ons afgesloten.

 

Ik ben vandaag niet zó begonnen met de bedoeling u met zo’n zwaar woord te belasten en uw geweten verder te bezwaren.

Maar ik heb gemerkt, dat naarmate ik echt erken dat de weg niet vrij is in mijzelf, niet vrij om te luisteren, waardoor dan ook, dat deze schuld mij niet zozeer terneer drukt, maar het verlangen opent naar bevrijd te worden van dit afgesloten ik, het verlangen om gewoon maar beschikbaar te zijn, open. En dit verlangen ligt aan de basis van bekering, verzoening. En ik verzeker u, zo kan het gebeuren.

Zo heb ik naar de lezingen geluisterd en het sloot wonderwel aan.

 

Daar zijn allereerst de inwoners van die stad Ninevé, die zo’n groot kwaad doen dat het ten hemel schreiend is. En deze stedelingen belijden hun schuld en geven gehoor aan de oproep van Jona om zich te bekeren. En God? God ziet dit en keert zich op Zijn beurt naar hen toe en ziet af van zijn plan de stad te gronde te richten, hoe groot hun kwaad ook was. Jona, zo blijkt even verder, heeft er heel veel moeite mee dat God zich laat zien als een God, die zich niet afsluit, maar open blijft voor waar de mens zich opent. Zo is Hij en zo verlangt Hij dat wij zullen worden, want wij zijn zijn beeld.

 

Ook Johannes was iemand die riep: ‘Jullie handelen is besmet door eigenwaan. Maak de weg toch vrij, zodat er ruimte komt voor hij die komt van Godswege.’ Herodes weigerde in de spiegel te kijken die hem werd voorgehouden. I.p.v. zijn kwaad te erkennen en ruimte te maken voor deze roep van Johannes, snoerde hij hem de mond en zette hem gevangen, zo horen we vandaag.

Onmiddellijk daarna horen we Jezus zijn eerste woorden spreken: ‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: Kom tot inkeer en hecht geloof aan het goede nieuws’. Jezus laat zich door het gebeuren van Johannes niet weerhouden. Integendeel!

Waar Johannes de weg vrij maakt, daar laat Jezus zien, waartoe die vrijheid dient: Je hechten aan het goede nieuws.

 

Hoe kan Jezus dit nu zeggen, na dat gebeuren met Johannes? Hoe kan hij zeggen: ‘De tijd is aangebroken? Er is voor mij maar één mogelijkheid: Iemand die waagt te zeggen ‘het koninkrijk van God is nabij’, in die iemand heeft God kunnen inbreken. Het inbreken van God als een stem die zegt: Jij bent mijn geliefde. Het fundament van het goede nieuws.

 

En dan is het, om met Jurjen Beumer te spreken, die hier vorige week een lezing hield, ochtend. En in de ochtend wordt de mens tot gemeenschap geroepen.

Wie roept er? Die mens, die hoorde: ‘Jij bent mijn geliefde.’ Die mens die dáár absoluut geloof aan hechtte. Dat maakt hem, wat mij betreft uniek, deze Mensenzoon.

‘Kom, volg mij’ horen we hem dan zeggen. Het koninkrijk van God vraagt immers om die ander, om verbondenheid?

 

En die roep klinkt dan midden in het dagelijks bestaan. Ze moeten het gezien hebben, deze Simon en Andreas, deze Johannes en Jakobus. Zíj waren schoon gewassen, leeg genoeg, verlangend genoeg om dit spoor van de Eeuwige in Jezus te zien en er door te worden geraakt.

Het is dit geraakt zijn, deze bezieling van Jezus die overslaat. Ik denk, dat alleen het zo geraakt zijn het mogelijk maakt de sprong te wagen om zich aan Jezus te hechten.

En dán kunnen zij ook achterlaten wat achter gelaten moet worden om hem te kunnen volgen. Het verandert hun levensperspectief. Vissers blijven ze, maar vissers van mensen zullen ze worden: aan mensen de hand reiken die het water tot aan de lippen komt.

 

Ik merk dat wij juist hier vaak de mist in gaan. Ook al zijn wij hier bijeen als kerk, als gemeenschap en geven wij zo gehoor aan die roep, dan kan het toch zó zijn, dat we gaande de weg meer en meer bezig zijn met wat het ons kost en zal kosten. Al te zeer bezig met wat we achter moeten laten i.p.v. ons te leiden door waar de vonk ooit oversloeg. En dat maakt ongelukkig, ontevreden, afgesloten, gespannen. “Was ons schoon Heer.”

Maar gelukkig, keer op keer is er die stem, uit het verleden, die klinkt tot in het hier en nu, dan hier dan daar, tussen ons in of van buiten af, die roept in de morgen en om gemeenschap vraagt, die stem die een appèl op ons doet en ons zo bevrijdt uit de afgeslotenheid van ons eigen ik. De stem die ons oproept om gewoon maar beschikbaar te zijn om Gods werk te doen, ieder het hem of haar eigene.

 

Ik blijf dan wie ik ben, we zijn gemeenschap zoals wij zijn, maar met een ander levensperspectief. Laten wij toch niet verloren laten gaan waar ons hart wordt geraakt om er dán ook werk van te maken. Alleen dán, vanuit die bezieling, kunnen we ook achterlaten wat achtergelaten moet worden, in het besef dat het goede nieuws op u en mij aankomt, ooit een dag, ooit een uur, nu.