|
|
Preken: Marcus 9, 2 - 10
Door Nel van Cuijk, gehouden op
12 maart 2006
Gods liefde is een kwetsbare menselijke liefde
Het
verhaal dat we vandaag horen uit het boek van het begin, is op het
eerste gehoor een onmogelijk verhaal. Wie wil er nu iets te maken
hebben met een God die van je vraagt om je zoon, je kind, dat wat je
het meest dierbaar is in het leven, te offeren? Het is een
verschrikkelijke, onmogelijke, onbegrijpelijke, onmenselijke
opdracht. En als opdracht van God niet te verstaan. Vele weldenkende
mensen in Nederland en over de hele wereld hebben o.a. om dit
verhaal God afgezworen. Andere weldenkende mensen over de hele
wereld en in Nederland menen echter dat in dit verhaal een les en
een goede boodschap zit voor mensen, een boodschap die zij wel
degelijk ter harte moeten nemen.
Wij
nu en mensen toen leven in culturen en met ideeën en weten soms zo
zeker wat goed is voor onze kinderen, of vinden toch dat we hen
niets in de weg mogen leggen, of hebben zulke hoge idealen, of weten
zeker dat onze kijk op het leven de enig juiste is, dat we er
onszelf en onze kinderen voor opofferen. Ik denk dan aan de vele
jonge Islamieten die voor radicale leiders en vage beloften hun
leven opofferen, ik denk aan onze hoge, overspannen cultuur waarin
kinderen, jongeren, prestaties moeten leveren, moeten kiezen uit een
onmogelijke hoeveelheid informatie en technologie, die hen bij wijze
van spreken gek maakt. Of hun vaders gek maakt waardoor deze hun
hele gezin de dood injagen, familiedrama’s noemen we dat.
Is
dat wat hier speelt, een familiedrama? Is Abraham een van die gek
geworden vaders? Of is er sprake van een cultuur omwenteling?
Men zegt wel dat de cultuur waar Abraham in
leefde een cultuur was waar het brengen van kinderoffers
gebruikelijk was. En het is Abraham zwaar te moede dat hij de zoon
naar wie hij zo verlangt heeft, ten offer zou moeten brengen omdat
de Godsideeën van zijn cultuur dat nu eenmaal voorschrijven. Abraham
gaat er vandoor, hij vlucht met zijn zoon de bergen in, gaat met
zijn zoon de berg op, de Moria, en volgens een vertaling die ik las,
is de Moria de berg van het uitzicht. De uitzichtsberg de berg waar
men inzicht verwerft. Daar op die berg, met het mes al in de hand,
met Izaak gebonden op het offerblok, krijgt Abraham op het laatste
nippertje de moed, het inzicht, de kracht, een influistering van een
engel Gods, de doodsnood in de ogen van zijn kind, wat zal het
geweest zijn, om te breken met de cultuur en de tradities waarin hij
werd grootgebracht. Abraham verwerft al luisterende het inzicht dat
hij zijn zoon niet moet offeren.
Zijn zoon is niet geofferd maar de legende wil
dat Sara na deze gebeurtenis aan een hartaanval gestorven is en dat
Izaak na deze gebeurtenis nooit meer een woord gezegd heeft.
Soms
denk ik namen vaders/moeders maar eens de tijd om met hun zoon of
dochter een driedaagse wandeling te maken, een berg op om inzicht te
krijgen. Te luisteren naar hun kind dat vraagt waar dan toch het
offerdier is, waarom zij zo nodig moeten beantwoorden aan de ideeën
die pa en of ma en of de cultuur in hun hoofd hebben. Een cultuur
waarin pa en ma en het kind het slachtoffer dreigen te worden.
Mogelijk vinden zij de berg, de berg die heet de ‘berg waar de Ene
zal voorzien’.
En
dan is er die andere berg. Ook een berg waar inzicht verkregen moet
worden. Jezus is op weg met de drie belangrijkste leerlingen.
Belangrijk omdat zij, later, veel later de steunpilaren voor de
eerste christenen blijken te zijn. Zij moeten een boodschap overeind
houden waar zij toen en wij nu geen woorden voor hebben. De
boodschap dat de dood het laatste woord niet heeft. Zij moeten door
Pasen heen, hun herder en leidsman, hun vriend die alles voor hen
zou veranderen, hij heeft hen verteld dat hij voorziet dat het niet
goed zal aflopen met hem. Onbegrijpelijk en onmogelijk was die
boodschap voor hen.
Jezus
die hen al zo vaak gevraagd had om te luisteren neemt hen dus mee de
berg op. In de hoop dat zij iets zullen gaan zien, iets zullen
inzien. En op die berg gaat alles er anders uitzien, gaat Jezus er
in ieder geval anders uitzien. Ze zien Jezus oplichten, van gedaante
veranderen. Ze zien een voorafspiegeling van wie hij ooit zal zijn
voor hen. Een lichtend voorbeeld, stralend als de zon, glanzend als
licht. Even maar zien ze, een moment en dan verdwijnen Jezus, Mozes
en Elia in de mist. Het visuele verruilt zich voor het auditieve, en
daar is de stem die zegt: ‘dit is mijn geliefde zoon, een man naar
mijn hart, luister naar hem’.
Het
lijkt alsof de boodschap van Jezus maar niet door wilde dringen en
dat Marcus nu God zelf aan het woord laat.
Bij
monde van Petrus horen we dat hij het wel ziet zitten op die berg:
het is buitengewoon goed dat we hier zijn, laten we drie tenten
bouwen. De groten uit de geschiedenis zijn bijeen, Elia en Mozes.
Wat wil je nog meer?
Zij
verbinden deze ervaring niet aan het onderricht dat Jezus heeft
gegeven over de paradoxen van het leven, over het fiasco, over dat
onbegrijpelijke waar je vergeefs een verklaring voor zoekt, want er
is geen verklaring. Zouden zij op deze berg inzicht krijgen? Als je
Marcus mag geloven verwerven ze echter geen inzicht. Ze gaan op in
het gebeuren, en – hou me ten goede – het is ook prachtig, ik zou
het best mee willen maken, het is een Godswonder wat zich voor hun
ogen voltrekt. Ze vallen op hun knieën, aangegrepen door angst,
vrees. Wat ze hier en nu ervaren op die berg, overstijgt alles. Het
is niet te grijpen, je kunt er geen tent omheen bouwen. Zij zien er
op dat moment echter geen verdere betekenis in.
Als
alles dan weer normaal is, Mozes en Elia vertrokken zijn, Jezus weer
in zijn gewone stoffige plunje zichtbaar is, dalen ze de berg weer
af. ‘Praat er niet over’, zegt Jezus dan nog. ‘Vertel het aan geen
mens voordat de Mensenzoon zal zijn opgestaan uit de doden’.
Dat woord houden ze bij zich en zoeken er samen
naar wat het is, dat uit de doden opstaan. En veel, veel later
vertellen ze en weten ze dat macht, geweld, tirannie niet op de
vlucht gaan voor Gods aanwezigheid. Ze weten dat ze moeten luisteren
tot je – van God weet waar – hoort: ‘Laat dat mes uit je handen
vallen’. Ze vertellen van de man zonder macht en geweld, zonder mes
of een geweer van wie licht uitging, meer licht dan van iemand die
wel deze attributen gebruikt. Gods liefde is een kwetsbare
menselijke liefde, dat hebben zij uiteindelijk van Jezus geleerd,
Gods liefde komt niet meer te vuur en te zwaard. En een van zijn
leerlingen van de 20ste eeuw zal verwoorden dat God is:
een onuitblusbare kracht van sympathie, die weerloos aanwezig wil
komen in het mensenhart.
|