Foto: Preken - Marcus
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Marcus 1, 12 - 15

Door Niek Werkhoven, gehouden op 5 maart 2006

 

Als ik God zeg … Als God … zegt

 

In mijn kast staat een boek met een titel waar mijn oog nogal eens op valt: “Als ik God zeg”. Een titel die precies correspondeert met de eerste lezing, waar we een gedeelte uit het verhaal van Noach en zijn ark hoorden. Een verhaal van de diepe wortels waaruit de geschiedenis, de bijbelse geschiedenis van de mensen, voortkomt. We hoorden het: “nooit weer zal ik alles wat leeft, doden… Deze belofte doe ik jullie: nooit weer zal alles wat leeft …worden uitgeroeid, ik sluit een verbond met jullie…” Het is alsof God zijn les geleerd heeft. De mens geschapen naar zijn beeld, valt toch maar bitter tegen, maar hij wil en zal het er mee doen. En later, veel later zal de mens dan horen: “De Heer, een God die liefdevol is en genadig, geduldig trouw en waarachtig…”

Deze overtuiging, misschien zelfs ervaring, vormt het fundament, de dragende grond onder de geschiedenis van mensen zoals de bijbel die ziet. Geen God die met donder en bliksem zijn wil oplegt, maar begaan is, sterker nog, zich verbindt aan mensen zoals ze zijn, zoals ze zouden willen zijn.

“Als ik God zeg”, gaat het over deze barmhartige betrokkenheid, over dit geduld en het uitstellen van straf of vergelding…

Als we afgaan op wat we zien, is het niet zo vanzelfsprekend dat we in deze God kunnen geloven. De ellende, rampen en zeker ook datgene waartoe mensen in staat zijn, hebben mensen in alle tijden en in alle toonaarden doen roepen: God, mijn God, waar zijt Gij te vinden…

Is daarom het eerste gebod “Luister Israël”?

Luisteren om goed te kunnen zien, omdat we door het zien alléén niet tot luisteren komen, leerden we van de Joodse traditie.

Als ik God zeg… dan gaat het over een vertrouwen op een weerloze macht die aanwezig wil komen, maar dat gaat door harten en handen van mensen. Mensen die in de wisselende omstandigheden van het leven kiezen voor het goede, zonder de garantie dat het dan zal lukken, zonder de zekerheid het inderdaad bij het goede eind te hebben.

 

“Als ik God zeg”, is inderdaad een titel die de moeite waard is om tot je door te laten dringen. Maar het roept ook een boek op dat niet in mijn kast staat en er ook nooit in zal komen. Een boek met de titel : “Als God Niek zegt”, “Als God Nel zegt”, of Jeroen of Ton of… vul maar in!

Dat boek van ons leven, waarvan enkelen al aan het achtste hoofdstuk bezig zijn, anderen aan het derde of vijfde, zesde… Zou dit boek, - en dan houd ik het maar bij “Als God Niek zegt” – corresponderen met de tweede lezing die we hoorden, het evangelie van vandaag? Zou het minstens een richting kunnen geven aan het hoofdstuk dat we aan het schrijven zijn?

In ieder geval heeft Marcus door dit evangelie te schrijven iets onder woorden gebracht van “Als God zegt…” En dit ter bemoediging van zijn tijdgenoten, en door ernaar te luisteren worden ook wij bemoedigd.

Wat hij dan in die eerste regels heel subtiel laat zien is dat er verschillende handelende figuren optreden: de Geest, Satan, engelen, terwijl van Jezus alleen gezegd wordt: hij was veertig dagen in die woestijn, en hij was temidden van wilde dieren.

Jezus kiest er niet voor om de woestijn in te gaan, hij zoekt de eenzaamheid niet op om nog eens goed na te denken over wat hem bij de doop was overkomen. Nee het is de Geest die hem aangrijpt, Marcus gebruikt een sterk woord: uitwerpen, uitdrijven. Dezelfde Geest die over hem was gekomen bij de doop, en die nu als het ware zich meester maakt van Jezus’ eigen geest, van zijn denken, willen. Ook het woord woestijn is ook niet zo’n neutraal woord als wij zouden zeggen met polder of hei. Het moest de oorspronkelijke lezers direct herinneren aan hun oorsprong, die lange jaren van trekken in de woestijn. Tijd en ruimte waarin het volk moest leren dat louter bevrijd worden van slavernij, van verslaving, nog geen vrije mensen oplevert. Woestijn is een harde leerschool. Verre van de mens gerust te stellen, dwingt deze kale, lege ruimte de mens uit zijn vertrouwde patronen te komen. Woestijn als ruimte waar het meest elementaire niet voorhanden is, stelt de meest wurgende vragen aan de mens: hoe lang gaat dit duren? Waar loopt het op uit? Wat is de betekenis van dit uitzichtloze? Vragen die de mens tot de bodem van het bestaan brengen.

Koren op de molen voor Satan, die duivelse engel van twijfel, van misleiding, van het gelijk in eigen redeneringen.

En als het niet van binnenuit komt, dan zijn er ook nog zijn trawanten in de wilde dieren. Gevaren waar je voor op je hoede moet zijn, waar je jezelf terecht voor moet afschermen.

Als God… zegt. Vertrouwen, ja zeker, maar dat vraagt ook bescheidenheid om niet in zelfverzekerde roekeloosheid te vervallen.

Maar als een mens zo zijn krachten inzet op geduld en uithoudingsvermogen, dan zijn er engelen die dienen, dan worden die krachten vruchtbaar.

 

In enkele zinnen zegt Marcus zó dat Jezus die weg is gegaan, niet slechts vóór hij in het openbaar begon op te treden, maar tijdens heel zijn leven.

 

Is dit nu een weg waar je warm voor kunt lopen? Mag een mens dan niet van het leven genieten? Is het eerste gebod dan niet liefde, hartelijkheid? We kunnen toch niet steeds op de tenen lopen. Is feest en een vrolijke lach taboe voor ‘gelovig leven’?

Nee, de blijde boodschap van het evangelie is en blijft een weg naar ‘opgewekt’ leven, ook en juist in deze veertigdagentijd. De kunst lijkt me eerder om het een niet tegenover het ander te plaatsen. Zegt het tweede deel dat niet in enkele korte maar even krachtige zinnen? Jezus neemt de fakkel van Johannes over al geeft hij er andere accenten aan. Het accent van samen eten en drinken als teken van leven met elkaar. Gods macht en kracht is nabij, nabij in mensenhanden.

“Als ik God zeg… “Als God… zegt: het komt waarschijnlijk samen in: “God anders” dat een beroep doet op ons anders willen zien en horen, denken en willen. Het hardnekkige probleem van het kwaad, van onrecht en lijden kunnen we niet wegdrukken, niet oplossen. Maar godzijdank zijn er altijd weer mensen die de fakkel van goedheid, gerechtigheid en liefde doorgeven aan volgende generaties. Van die mensen willen leren, die fakkel over willen nemen en er dan eventueel eigen accenten aan geven, dat kan.

Kunnen we zo ook nu weer het brood, werk van onze handen, aanbieden om de Geest die Jezus en zijn volgelingen bezielde, te ontvangen?

 

Zo moge het zijn.