|
|
Preken: Marcus 1, 12 - 15
Door Niek Werkhoven
God is goed voor wie met Hem verkeert
Weer staan we aan het begin van de
veertigdagentijd, voorbereiding op het vieren van Pasen. Weer kunnen
we ons voorbereiden zoals vorig jaar, en, laten we hopen, volgend
jaar. Want we hebben jaren nodig, heel veel tijd, om thuis te komen
in het leven dat door Pasen getekend wordt. Pasen duidt immers op de
hoop waarmee we in het leven staan, niet op het zichtbare bewijs dat
God goed is voor wie met Hem verkeert. Dat lijkt mij tenminste
precies de kern van deze dagen: die eeuwige spanning tussen de
zichtbare, concrete werkelijkheid en de hoop, het vertrouwen waarmee
we willen leven.
Spontaan komen dan
de woorden van Oosterhuis naar boven: "Dat het goed mag zijn wat wij
hier doen: het woord ter harte nemen dat U in Israël gesproken hebt
en ons in Jezus te verstaan gegeven".
Het woord in Israël, we hoorden God tegen Noach zeggen: Ik sluit een
verbond met jou… Een overeenkomst die de Schepper aangaat met zijn
schepsel, zijn maaksel. Een overeenkomst en belofte van trouw
waarvan de volle betekenis pas duidelijk wordt wanneer we horen
meeklinken wat hieraan voorafgaat. God heeft er spijt van dat Hij de
mens geschapen heeft. Maar na de grote schoonmaak is het of God ook
daar spijt van heeft want we horen Hem dan tot zichzelf zeggen: Ik
zal de aardbodem nooit meer vervloeken vanwege de mensen: het hart
van de mens is immers van jongs af geneigd tot het kwade. En dan
sluit die God een verbond met de mens, met de mens zoals die is,
zelfs al is die geneigd tot het kwade.
En dit woord over verbond wordt ons te verstaan
gegeven in Jezus. De evangelist Marcus vertelt het in een paar
zinnen. Hij dwingt je als het ware om goed te luisteren wil je iets
verstaan. Zo luisteren dat we niet zozeer begrijpen wat er staat
geschreven, maar door die woorden onszelf gaan begrijpen, onszelf
kunnen plaatsen in het verbond.
Terstond, nadat
Jezus de Stem van God gehoord had dreef de Geest hem uit naar de
woestijn. Dezelfde Geest, die 'Kracht uit de hemel', die over Hem
was gekomen tijdens zijn doop door Johannes drijft Hem. Wat hier
opvalt is dat Marcus hier hetzelfde 'uitdrijven' gebruikt als
waarmee hij keer op keer vertelt hoe Jezus demonische geesten
uitdrijft. Zou het kunnen zijn dat hij wil zeggen dat Jezus die
verziekende krachten kan uitdrijven omdat Hij zelf door heilige
Geest uitgedreven is? Maar waar wordt Jezus dan uit gedreven vraag
je je af? Het antwoord laat zich gemakkelijk raden: Jezus wordt door
deze Geest uit zijn leven gedreven zoals het tot nu toe was. Op
dezelfde bladzijde vertelt Marcus immers hoe Hij Simon en Andreas
van vissers mensenvissers maakt, hoe Hij de zonen van Zebedeüs
vraagt hun vader en de boot maar te achter te laten. Dat is toch
niet normaal, niet gewoon!
Jezus wordt de woestijn in gedrevenen voegt
Marcus er aan toe, en Hij was veertig dagen in die woestijn. Als je
een beetje thuis bent in de Schrift hoor je meteen dat er geen
sprake is van een bepaalde streek, van een kaal gebied, maar dat het
gaat om de oerervaring van het volk waar Jezus deel van uitmaakte.
Woestijn is de kleur van levenservaring, van het aan de lijve
ondervinden wat het is in het verbond met God te leven. Woestijn is
het scherpe en kale doorstaan van de onzekerheid, het niet hebben.
De pijnlijke vragen die we het liefst proberen weg te duwen zoals:
waar kom ik vandaan, waar ga ik naar toe? De ervaring van doodse
stilte als een mens worstelt met het waarom? Ervaring van grondige
eenzaamheid, van leegte, van ontbreken van wat je nodig hebt. Wat
wil God toch, is er wel een God die iets met mij wil?
Zoiets lijkt me
Marcus te willen vertellen, want hij vertelt dit vanuit de afloop
van Jezus' leven, vanuit de beleving van zijn kruisdood. Daarmee is
dan ook gezegd dat we dit stukje evangelie niet moeten opvatten als
een episode aan het begin van Jezus' leven, maar dat het de rode
draad is van heel zijn optreden. Alle dagen heeft Hij de wetenschap
met zich meegedragen 'de geliefde zoon' te zijn. Maar die wetenschap
werd ook voortdurend op de proef gesteld in de concrete
werkelijkheid van zijn bestaan. Geliefde zoon van God, van de God
van het verbond, maar van een God die telkens weer zo totaal anders
is dan wij ons voorstellen. Telkens weer is er die satan, de
schijn-god die voorspiegelt dat het echte leven te vinden zou zijn
in het ik en het ik alleen, om het even of dat nu ligt in het
verheerlijken van eigen kunnen, of in zich klein en onbelangrijk
maken. De beproeving van geliefde zonen en dochters; hoe meer
geliefd, hoe scherper deze beproeving, zou je kunnen zeggen. Beslist
niet om de mens dwars te zitten, maar om getuigen te worden van die
andere kracht en macht, van de op mensenliefde bedachte maar
onzienlijke God van het verbond.
Jezus doorstaat, heeft deze beproevingen doorstaan tot het uiterste,
tot in het absurde van zijn dood. Hij was in het gezelschap van
wilde dieren en engelen dienden hem, in één zin wordt dit door
Marcus verteld. Zo leefde Jezus, zo bewaarde Hij leven over de dood
heen.
Zo, als deze mens door God getekend kon Hij terugkeren naar Galilea,
kon hij uitroepen, riep en roept Hij mensen op om in het goede
nieuws van God te vertrouwen. Hij wist waar dat op sloeg, Hij kon
het laten zien, Hij was daar 'vindplaats' van. Hij zag dat mensen
het licht niet zien omdat ze wel hun ogen open hadden maar hun
voeten verkeerd. Hij kon oproepen tot omkering omdat Hij in
voortdurende bedreiging en onveiligheid leerde bidden : 'bij U ben
ik geborgen…'
Toeleven naar Pasen is toeleven naar leven, naar leven dat door God
geschonken wordt. Dat is geen glad gebaande brede weg. Wat
natuurlijk niet wil zeggen dat we zelf drempels en obstakels moeten
verzinnen. Maar het is wel de tijd die rijp is, om het nu, het ik,
te toetsen aan het woord dat ons in Jezus te verstaan is gegeven.
Daarom gaan we nu weer het brood en de wijn aanbieden om met Hem en
door Hem op weg te kunnen blijven. Om met Hem open te blijven staan
voor leven, voor een leven dat we met hoop en diep vertrouwen
tegemoet blijven gaan zonder dat we onze verlangens meteen vervuld
zien worden.
Zou dit ons gebed kunnen zijn vandaag?
|