Foto: Preken - Marcus
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Marcus
1, 1 - 8
Door Hinnêni Peltenburg, gehouden op 4 december 2005, 2e advent

 

Kunnen wij nieuwe mensen zijn, een nieuw begin van vrede?

 

Het lijkt nodig iets te vertellen over de situatie waarin de mensen verkeerden van wie in deze twee lezingen sprake is.

Zo’n zeshonderd jaar voor onze jaartelling, zo staat in de Schrift te lezen, werd een heel volk in ballingschap weggevoerd. Dat was een ingrijpende gebeurtenis: alles weg, geen eigen land, geen eigen cultuur, geen eigen godsdienst, alles is vijandig, maar dan blijkt na een aantal jaren dat het in dat vreemde land nog lang zo slecht niet is: imposante paleizen, imposante tempels met imponerende godsdienstoefeningen, aansprekende hofceremoniën, hoogstaande cultuur... Nee, het is er nog lang zo slecht niet. Met een beetje goede wil krijg je ook nog een post aangeboden en ben je verzekerd van een goed inkomen. En waren wij toch niet ook een beetje vreemd met die God van ons? Die God, omgeven door de geur van de woestijn; Hij, met zijn voorkeur voor schapen en veehoeders; met al zijn goed bedoelde wetten, voorschriften en bepalingen...? Die passen helemaal niet meer in onze nieuwe situatie. Nee, beter dit alles door inculturatie op een hoger plan gebracht. We nemen onze verantwoordelijkheid op ons en zorgen voor een rustig bestaan; we leggen ons bij de situatie neer en maken er maar het beste van.

Maar naast degenen die zo dachten en zo leefden, was er ook een groep eenvoudige en meestal arme mensen, die – eertijds al in hun land van herkomst – het met heel veel minder hadden moeten doen. Zij wisten, en dat is een kennis met het hart, dat zij uiteindelijk afhankelijk waren van de Enige, die gezegd had dat Hij er altijd zou zijn. Wij willen wel trouw blijven aan onze God, maar we weten niet meer waar wij aan toe zijn, waar dat toe zal leiden, is er nog perspectief...? En de ontmoediging slaat toe.

Kijk, en op dat moment van de geschiedenis van het volk van de Enige in ballingschap, komt de profeet Jesaja met de boodschap van TROOST. Dat is in de tekst meer dan een arm om de schouder, meer dan een goed bedoeld woord. Het is: kracht geven, bemoedigen, omdat de profeet iets ziet. Hij kan vooruit voelen, omdat hij achteruit kijkt in de geschiedenis van de Enige met zijn volk. Want het is toch wel vreemd dat Jesaja niet over de ballingen in Babylon een goed woord profeteert, maar tot het hart van de verwoeste stad Jeruzalem spreekt en het in puin liggende land van Juda oproept!

Ongehoord is de boodschap: er moet een weg in de woestijn worden gelegd en er moet iemand komen die het volk wil leiden, zoals eens Mozes het volk leidde naar het Land.

Of suggereert de profeet, dat de ballingen heel goed zélf de weg naar huis weten, omdat zíj de leden zijn van dit nieuwe Exodusvolk? Dat wíj aan die Exodustocht een nieuwe betekenis kunnen geven en dus regelrechte wegen, richting ‘huis’, kunnen trekken, met de Enige die ons nooit in de steek heeft gelaten, als veilige Gids voor ons uit?

Dus toch een Herder als God?

Hier is uw God! Wíj zijn zijn loon, wíj zijn zijn werk.

 

Ja, en dan staat er nog iemand te roepen: Johannes, ook in de woestijn, weer tot datzelfde volk, en opnieuw tot het hart van Jeruzalem: ‘sjaloom’ tot jouw en mijn hart van vrede. En weer is er sprake van een nieuw begin; van een weg naar God toe.

Maar wat vreemd om je boek zo te beginnen als Marcus doet: Begin van de goede boodschap van Jezus Christus...

en dan niet meteen Jezus aan het woord te laten, maar Johannes de Voorloper op te laten treden.

Natuurlijk heeft Marcus daar een bedoeling mee. Marcus citeert uit de Wet en de Profeten: Johannes, en na hem Jezus, staan in diezelfde lijn van de Torah en van het Verbond. Marcus laat Johannes in een heel nieuw heden optreden. Hij heeft met de profeten die hem al voorgingen de weg gebaand voor de Komende, die groter is dan hij.

Johannes en de profeten roepen ons – tot op de dag van vandaag – op om rechte wegen te maken; dat zijn directe wegen naar gerechtigheid, naar alles dat mensen meer mens maakt.

 

Dat zeggen wij nu in de adventstijd, maar is dat nu ook een woord van TROOST nu, in onze tijd en wereld?

Marcus schrijft zijn boek nà de dood en de verrijzenis van Jezus. Door de opstanding van Jezus Christus is – tegen alle verwachtingen in – de toekomst open gegaan voor armen, geringen, voor gebroken mensen...

De woorden: “Nà mij komt Iemand die doopt met Geest,” is de belijdenis van de eerste christengemeente, die gelooft dat de gekruisigde Jezus van Nazareth de Enige, de God van het Verbond, de Vader present stelt.

 

Het Goede Nieuws is, dat jouw en mijn leven goed nieuws kan zijn, zoals al die mensen voor ons in geloof hun leven naar die boodschap van Jezus hebben ingericht. Hoe kunnen wij dan nú anderen troost aanbieden en mensen zijn die kracht uitstralen, liefde geven, recht doen? Kunnen wij nieuwe mensen zijn, een nieuw begin van vrede?

Het klinkt wel mooi: Schep moed. En: de toekomst gaat open voor armen, gebroken en weerloze mensen... Maar al te vaak worden we moedeloos van de contrastervaringen in de samenleving en de kerk: een maatregel van bovenaf opgelegd lost een probleem nooit op. En onder wat problematisch wordt genoemd blijkt een diep verborgen bestaansangst te liggen.

Symbolisch gezegd hebben we tot Kerstmis nog enkele weken om de Heer te bidden: Zend uw Naam over de aarde als een woord van vrede van mens tot mens. Dat zou een eerste begin zijn: in het klein beginnen en eraan werken dat we in Jezus Naam een nieuwe gemeente, een nieuwe kerk vorm kunnen geven. Het is een houding van gespannen verwachting. Daarom moeten we elk jaar opnieuw Advent vieren.