|
|
Preken: Lucas 14, 1 + 7 - 14
Door
Koos van Etten, gehouden op
29
augustus 2010
Samen maaltijd houden als beeld van het koninkrijk van God
Gisteren hebben we hier in onze gemeenschap een feest gevierd, met
een heerlijke maaltijd. Vandaag krijgen we de tijd om ons te
bezinnen op de betekenis van het samen maaltijd houden, zoals Jezus
daar naar kijkt.
Het
evangelie begint te vertellen, dat Jezus op een sabbat bij één
van de leiders van de Farizeeën thuis gaat eten. Wat kunnen we
ons daarbij voorstellen? Het is in die tijd blijkbaar de gewoonte,
dat de Farizeeën elkaar uitnodigen om samen te eten en van gedachten
te wisselen. Maar het was een elitair gezelschap, een groep van
gelijkgezinden. Zo was het cultuurpatroon. Het hoorde niet dat zij
vreemden zouden uitnodigen, zeker niet mensen die niet volgens de
Tora leefden, want dat zou hun eer schaden, zo van: ‘Hij gaat om met
tollenaars en zondaars’. Dat kan toch niet. Op zo’n bijeenkomst is
Jezus te gast, maar niet echt welkom, want staat er: ‘ze letten
scherp op hem’. Hij was wel een bekende rabbi geworden, maar
niet geliefd. Ze voelden een weerstand tegenover hem. Op een gegeven
moment echter komt er een man binnen die aan waterzucht lijdt. Jezus
wordt om hem bewogen en geneest hem. Want die man kun je toch niet
zomaar laten gaan? Op die vraag hebben zijn tafelgenoten geen
antwoord.
Als ze
dan overgaan tot het gesprek, begint Jezus met te zeggen: Waar
hebben we het met elkaar over? Over de heiliging van de sabbat? Over
het plaats geven aan God op deze dag? Ja, maar dat vraagt wel een
andere houding. En hij vertelt dan een eerste parabel, gericht naar
de gasten. Daarbij gebruikt hij twee belangrijke woorden, namelijk
uitgenodigd worden en bescheiden zijn. Als je
uitgenodigd wordt, ga dan niet op eerste plaats zitten, maar wees
bescheiden en ga liever achteraan zitten. Vreemd wat hij vertelt.
Hij draait de zaak helemaal om. Bovendien, hij praat wel over
bescheidenheid, maar confronteert hen zomaar met hun eigen gedrag?
Ja, zegt hij: als je uitgenodigd wordt, kom dan niet op voor je
eigen plaats, maar laat je je plaats geven. Het gaat toch om de
relatie? Je wilt gezien worden, gekend. Dat is goed; dat wil iedere
mens. Daar hebben we allemaal nood aan. Maar wees dan niet op jezelf
gericht, maar láát je een plaats geven, zodat de gastheer of
gastvrouw je kan aanspreken met ‘Vriend’ en je in de ogen kan zien.
Overigens, bij bescheidenheid of nederigheid denken wij vaak aan: je
onderworpen opstellen, kruiperig zijn zelfs, heel negatief. Maar dat
is niet bedoeld: het is een heel positief woord. In de Schrift komen
we het op verschillende plaatsen tegen. Mozes wordt de
bescheidendste genoemd van alle mensen, terwijl hij toch zeer
gezagvol was en zijn volk uit het slavenhuis van Egypte heeft
geleid. Maria zingt in haar Magnificat de woorden: God heeft
neergezien op de kleinheid van zijn dienstmaagd. Zij was
bescheiden, maar sterk in haar geloof. Jezus zegt van zichzelf: ‘Leer
van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Nederig,
bescheiden, maar hij is door zijn leven voor ons, zijn leerlingen,
zeer gezagvol. Het is zoiets als de eerste lezing aangeeft: een
wijze is iemand die zijn oor te luisteren legt. Niet iemand die
alles al weet, hoogmoedig, maar iemand die wil leren van de ander.
Maar
goed, Jezus vertelt nog een tweede parabel, nu gericht naar de
gastheer of gastvrouw.
Als je
een feest geeft, wie nodig je dan uit? Als ik terugkijk in de
afgelopen weken, denk ik dat we kunnen zeggen: degenen die een feest
hebben georganiseerd en daarvoor ook een aanleiding hadden, nodigden
hun familie uit, hun broers en zussen en hun vrienden. In ieder
geval hen, bij wie er ook iets wederzijds is in de relatie; mensen
bij wie je jezelf thuis weet. Dat laat zien wat de normale gang van
zaken is tussen ons mensen, toen en nu. Maar Jezus zet ons op een
ander been: als je een feest organiseert, nodig dan de armen,
gebrekkigen, kreupelen en blinden uit. Wie doet dat? Dat zijn er
maar weinigen in de praktijk. Maar hij, Jezus deed het, kwam op voor
die mensen, at met tollenaars en zondaars en ging met iedereen aan
tafel. Dat kunnen wij dus leren van hem. Daartoe roept hij ons op.
Ik denk
terug aan wat mevrouw Klomp vaak zei in die beginjaren, dat wij die
armen, gebrekkigen en blinden zijn; dat wij vanuit een noodsituatie
hier binnengekomen waren en mochten aanschuiven aan de tafel van het
leven; dat aan ons de liefde overkwam. Zoiets zien we ook bij de
zusters van de Hoogstraat en het Jongerenhuis: daar worden
vluchtelingen tussen hen in opgenomen of jongeren uit Afrika. Nog
zijn er van die plaatsen waar dat gebeurt, dat mensen worden
opgenomen die niets hebben om terug te geven dan alleen hun
dankbaarheid. Ook zij horen erbij.
Wij
zijn nu allen uitgenodigd aan de tafel van de Heer; mag Hij onze
gastheer zijn. |