|
|
Preken: Lucas 9, 51 - 62
Door
Koos van Etten, gehouden op
27 juni 2010
De weg gaan met Jezus
Gisterenavond hebben we hier mogen meemaken,
dat jij, Else, een volwassen vrouw, gedoopt en gevormd werd. Jij
hebt je bekend als christen en wil als leerling achter Jezus
aangaan. Maar welke weg ga je dan, vroeg ik me af. En wij die zeggen
zijn leerling te zijn of misschien verlangen zijn leerling te
worden, waar geven we ons aan over, als we met Hem de weg gaan?
Het evangelie is heel duidelijk. In het begin
staat dat Jezus vastberaden Jeruzalem als zijn reisdoel kiest.
Het is een keuze waarvan hij zich niet meer van zal laten
afbrengen. Waarom? Hij is door iets bezield, begeesterd door wat hij
noemt ‘het koninkrijk van God’: dat er een nieuwe manier van leven
mag komen, waarbij God weer de eerste plaats mag innemen en wij
elkaar gaan zien als broeders en zusters. Die boodschap van liefde
heeft hij uitgedragen in Galilea. Die boodschap wil hij nu uitdragen
in Jeruzalem, het centrum van het land. Maar hij voorvoelt dat het
niet gemakkelijk zal zijn. Hij zal tegenstand ondervinden, ja het
zal hem misschien zijn leven kosten. Toch is Hij vastberaden, Hij
gaat die weg. Het is een exodustocht, zegt Lucas: een tocht door
lijden en dood heen naar de opstanding en de hemelvaart, totdat
Jezus aan zijn leerlingen de Geest kan meedelen.
Jezus gaat dus zijn weg. Hij kiest ervoor en
blijft trouw aan zijn roeping. De weg gaan. Dat is het beeld dat in
het Lucasevangelie steeds terugkomt en hier in dit gedeelte wel vijf
keer wordt genoemd: dat zij optrekken, onderweg zijn, de weg gaan.
Dat is een kwetsbare weg. Want onmiddellijk horen we dat hij niet
ontvangen wordt in een Samaritaans dorp. Ze willen hem niet, ze
accepteren hem niet, omdat hij als pelgrim optrekt naar het
heiligdom in Jeruzalem en niet – zoals de Samaritanen doen – naar de
berg Gerizim. Als het jezelf overkomt, dat je afgewezen wordt, is
dat pijnlijk. En dan van binnen niet hard worden of er met geweld
tegenaan gaan, zoals Jakobus en Johannes hier. Jezus is geweldloos,
zoals later Mahatma Gandhi of Martin Luther King die ook hele
bewegingen op gang gebracht zonder geweld, maar wel met een
innerlijke overtuiging.
Jezus is radicaal in de keuze die hij maakt en
gaat de weg. Hij wil ook dat zijn leerlingen diezelfde keuze maken
en hem volgen op zijn weg. Laten we eens kijken hoe dat gaat.
1. De eerste persoon zegt dat hij Jezus wil
volgen waar hij ook heen gaat. Dat lijkt een verklaring van
loyaliteit: ik zal met je meegaan en blijf je trouw wat er ook
gebeurt. Dat is op zich best goed. Jezus wijst hem dan ook niet af,
maar laat wel weten, dat hijzelf heel gedreven is, van Godswege. Er
is een onrust is hem en daarom is hij nergens thuis. Of misschien
beter gezegd: dat hij zich alleen geborgen weet bij God, en het
aandurft zich van anderen afhankelijk te maken, zich kwetsbaar op te
stellen. Durft die mens het aan diezelfde weg te gaan: zo te leven
met God? Durven wij het aan: niets zeker in handen te hebben?
2. Bij de tweede persoon is het Jezus zelf die
hem roept: Kom, volg mij. Zo heeft hij dat gedaan bij die
eerste leerlingen: Petrus, Andreas, Jakobus, Johannes. Die roep
horen we tenminste in het Marcus-evangelie: Kom, volg mij. De
leerlingen hebben toen alles achtergelaten en zijn hem gevolgd,
omdat ze geloofden in het nieuwe dat Jezus voorstond. Ze werden
meegenomen door zijn enthousiasme. Maar deze mens zegt: Laat mij
eerst mijn vader begraven. Dat is een heilige plicht: je vader
begraven. Zowel bij de joden toen als bij ons nu. Toch wijst Jezus
dat af; waarom? Het is niet gemakkelijk dit te verstaan, maar
bedoelde hij zoiets als: niet blijven hangen bij het dodende, maar
kiezen voor het leven? Tegen deze mens persoonlijk zegt Jezus: jij,
kom achter mij aan, nu! Wacht niet langer.
3. Dan is er nog een derde persoon. Die zegt
heel uitdrukkelijk: Heer. Hij voelt zich al leerling, maar
het is net of hij nog aarzelt en twijfelt. Ook hij zegt: Laat mij
eerst…Laat mij eerst thuis afscheid nemen …In het antwoord dat
Jezus geeft, vertelt hij het verhaal van Elisa dat we in de eerste
lezing hoorden, om hem te zeggen niet om te kijken, niet te
aarzelen, maar meteen mee te gaan. Deze mens wil eerst afscheid
nemen van zijn familie, d.w.z. een soort toestemming vragen, maar
Jezus vraagt hem iets te doorbreken: niet alleen die familieband,
maar een breder verband van broeders en zusters. Vertrouw er maar
op. Ga die weg.
Jezus roept ons. Maar niet ieder van ons is op
hetzelfde punt van de weg met Jezus. De een is er pas aan begonnen
(zoals Else), de ander is ergens onderweg en voelt de beproeving.
Hij of zij moet trouw blijven aan de roeping. Weer een ander is al
dichtbij zijn of haar eindbestemming, met het perspectief van nieuw
leven. Voor ieder is het belangrijk te horen wat Jezus nu vraagt en
dan te kiezen om met hem de weg verder te gaan en daar trouw aan te
blijven. □
|