|
Preken: Lucas 7, 11 - 17
Door
Jan Rooijakkers, gehouden op
6 juni 2010
Kiezen voor toekomst
-
De tijd naPasen en Pinksteren
is tijd om het in eigen leven en samenleven waar te maken: leven
door de dood heen en leven vanuit de gegeven inspiratie en
geestkracht. Voor vandaag is de leeftocht als voedsel voor de weg –
in twee versies – de alleenstaande weduwe die haar kind, haar
toekomst verliest en iemand ontmoet die weer toekomst kon geven. Dit
verhaal over die man doet de ronde, zo eindigen beide vertellingen.
-
Wat is dan dat voedsel voor
de weg? Een bedroefd mens, zonder toekomst kan ophouden te huilen en
krijgt opnieuw een veilige toekomst.
-
Hoe komt dat tot stand? de
stoet van de rouw, en de hopeloze droefheid ontmoet een andere stoet
van enthousiaste mensen die een woord van leven proberen op te
vangen. Jezus ziet die stoet: zijn hart wordt diep ontroerd! Hij
kent die mensen niet, maar ziet de realiteit voor zich. Dat roept
geestvervulde ontroering op bij Jezus. Hij laat de stoet stoppen. En
vanuit die ontroering zegt Hij: “Huil maar niet”. Een woord waar hij
vol , met zijn hele hart bij blijft. In die ontmoeting van beide
stoeten gebeurt iets van een nieuw leven waar ik naar moet kijken,
zonder te begrijpen.
-
Wat voor voedsel is dit nu
voor ons ?
o
Ons land en ons
buurland staan voor de stembus om een basis te geven aan het
besturen van onze maatschappij. En hoe armoedig is het gepraat van
de kandidaten? Echt boven gestechel komt het niet uit. Een ietwat
armemoedige stoet. Vandaag, denk ik, worden we gevoed om in deze
stroom voeding te geven aan de droom van een bewoonbare wereld,
en deze inspiratie hoog te houden bij elkaar. De wereld waar ik voor
ga is meer dan een democratische meerderheid.
o
Onze kerken zijn als
een arme weduwe: ze verliezen hun uitstraling, raken gedecimeerd,
onze goede naam raakt in diskrediet, en het kontakt met de jonge
generatie, de toekomst, is een heel dun draadje.
o
Hoe gaan wij dan nu
effectief voor toekomst? Het beeld van die ontmoeting van beide
stoeten raakt me: soms ben je in rouw, in uitzichtloze droefheid.
Dan moet je daar niet van weglopen; soms ben je geïnspireerd en tref
je mensen waarmee je verder kunt. Durven we beide momenten in ons
toelaten, maar wel zo aan elkaar laten raken dat er iets kan , ja
moet gebeuren. Dan kan je soms zeggen: ‘huil maar niet, we staan en
samen voor’!
o
Ik noem twee mensen
uit de geschiedenis die me dat hebben laten zien: Titus Brandsma en
Dietrich Bonhoeffer. Mannen die het succes kenden; mannen die het
lijden moesten ondergaan en er hun leven bij gelaten hebben. Maar
beiden bleven zo in die ontmoeting met ieder naast hen, hoe
uitzichtloos hun situatie ook was én ze durfden uitstralen: ‘niet
alleen maar schreien, maar er met elkaar voor gaan staan, op mij kun
je rekenen’. Zo werden zij een soort troostpaal voor ontelbaren, een
echte zegen. Toen in het concentratiekamp. En aan ons om dit in onze
dagen op eigen level te vertalen. □ |