|
|
Preken: Lucas 6, 17 + 20 - 26
Door Tineke Renkema, gehouden op
14 februari 2010
Leven omwille van
“Vervloekt wie op
een mens vertrouwt, gezegend wie op de Heer vertrouwt, zo spreekt de
profeet Jeremia. Het is een scherp onderscheidende uitspraak,
waarbij het op de mens vertrouwen betekent dat alle leven verdort,
en op God vertrouwen betekent dat je leven vruchtbaar blijft, wat de
omstandigheden ook zijn. Iemand komt, zo lijkt me, niet zomaar tot
zo’n alles of niets uitspraak.
Wie is deze Jeremia?
Allereerst is er in hem een zeer sterk roepingbesef. Een paar weken
geleden hoorden we dat nog: `Voordat ik je vormde in de moederschoot
had ik je al uitgekozen, voordat je de moederschoot verliet had ik
je al aan mij gewijd, ik heb je een profeet voor alle volken
gemaakt.`
Maar het volk lijkt
zich niets aan te trekken van de boodschap van Jeremia over het
naderend onheil dat Juda en Jeruzalem door de Babyloniërs zal worden
veroverd en het volk gedeporteerd zal worden. Hij is een roepende in
de woestijn, 40 jaar lang. Het volk en zijn leiders, de gevestigde
orde, is niet van plan om in de spiegel te kijken om te zien hoezeer
hun gedrag besmet is door eigenwaan en eigenbelang. Jeremia vindt
geen gehoor. Hij treft mensen die louter en alleen op zichzelf
vertrouwen en voorziet de gevolgen. Hij ziet, dat waar mensen louter
en alleen zichzelf genoeg zijn, een volk ten onder gaat en haar
roeping verliest, haar roeping als uitverkoren volk. Jeremia gaat
tot het uiterste in zijn zegen en vloek om alsnog de gevestigde orde
wakker te schudden. Het vervloekt zijn heeft dan niet de betekenis
van het definitief afschrijven van mensen, maar is wellicht een
uiterste poging het volk uit zijn zelfgenoegzaamheid te trekken en
het te herinneren aan zijn roeping als Verbondsvolk.
Waar het vervloekt
zijn niet de intentie heeft af te schrijven, heeft het gezegend zijn
van wie op God vertrouwt, niet de intentie van: ´Het komt wel goed´.
Dat is schijnvertrouwen. Het doet er wel degelijk toe wat wij doen
en laten, maar het leven verdort, verdroogt, versteent zonder die
a/Ander. Vertrouwen is een Verbondswoord, een toewijdingwoord.
Waar Jeremia
spreekt in termen van vloek en zegen, klinkt uit de mond van Jezus:
“Gelukkig jullie… Wee jullie…” De kleur hiervan is zachter, maar de
onderscheiding is eveneens scherp.
In het
tekstgedeelte vlak hiervoor lezen we hoe Jezus zich terugtrok om te
bidden –een hele nacht, boven op de berg. Een mens, die gezegend is,
omdat hij op God vertrouwt, zou Jeremia zeggen.
Kunnen wij met hem
meekijken, met zijn blik meegaan nu hij afdaalt naar de realiteit,
het dagelijks bestaan? Wat ziet hij toch, dat hij tot dat ‘gelukkig
jullie… en wee jullie…’ komt. Wat maakt dat hij mensen gelukkig
prijst in situaties die wij juist te allen tijde willen vermijden,
wat maakt dat hij het ‘wee’ uitspreekt over mensen, die wij gelukkig
zouden prijzen. Wat ziet Jezus wat wij niet zien?
Allereerst ziet hij
de vele leerlingen, die hem wachten en een grote menigte van arme,
zieke, hongerige mensen, die een groot verlangen in zich dragen om
te luisteren en genezen te worden. Hij ziet en geneest hen, want er
gaat een grote kracht van hem uit. Ongetwijfeld kracht vanwege die
bergervaring, die open verbinding met God. Een onverdeelde mens, die
doet wat hij zegt en zegt wat hij doet: Om mensen bewogen.
Als we Jezus’
blikrichting dan blijven volgen, zien we dat hij zijn blik richt op
de leerlingen, zoals hij eerder, op de berg, zijn blik omhoog
richtte en hij leert hen: “Gelukkig zijn jullie, die arm zijn… wee
jullie, die rijk zijn …”
Natuurlijk kan het
niet zijn, dat hier armoede wordt goedgepraat en rijkdom wordt
veroordeeld en dat de hemel wordt aangeboden als valse troost. Maar
wat ziet Jezus dan, dat hij dit zegt, vanuit welke ervaring spreekt
hij. Hij ziet mensen, die in hun armoede uitstaan naar zijn
boodschap, hij ziet zijn leerlingen, die alles achterlieten om hem
te volgen. En zijn eigen harde realiteit is dat hij geen plaats
heeft om zijn hoofd neer te leggen en dat hij toch diep gelukkig is.
Hijzelf is arm én gelukkig, hoe paradoxaal! Wat is dan zijn geluk?
Dan springt het op en ik zie het staan centraal in de tekst: een
leven leven omwille van de Mensenzoon, een leven omwille van God,
omwille van mensen, een leven omwille van… Dat is zijn diep geheim!
Jezus waarschuwt
dan: ‘O wee, o wee’: Dit geluk van een leven omwille van … dreigt
verloren te gaan, wanneer wij rijk zijn en verzadigd, wanneer wij
over steeds meer de beschikking hebben en steeds meer veilig
stellen. Dan lopen wij een groot risico ongevoelig te worden voor
het appel van de ander, dat ons genieten verstoort, terwijl er
tegelijkertijd minder noodzaak lijkt zelf een appel te doen. Dan
dreigen wij onszelf genoeg te zijn. Langzaam, maar zeker ontstaat er
dan een houding waar voor het mededogen geen plaats meer is. Ik denk
dat dát essentieel is. Met het verlies aan mededogen verliest de
mens zijn roeping en zijn bestemd zijn, zijn leven omwille van…
doelloos, zinloos! Om met de woorden van Jeremia te spreken: De mens
staat dan in een steenwoestijn, in een verzilt en verlaten land.
Diep ongelukkig!
God wil ons geluk.
Jeremia schudt ons wakker en Jezus is diep gelukkig en wijst ons de
weg, zoals wij hier zitten, persoonlijk, maar ook als deze
gemeenschap: Houd niet op te luisteren waartoe je geroepen en
bestemd bent, te beseffen omwille van wie en wat je leeft. O wee,
wat zonde toch, want ieder persoonlijk, maar ook als gemeenschap,
als kerk, kunnen we zelfgenoegzaam worden. Dan verliezen we onze
roeping en ons bestemd zijn, een verlaten land. Maar we kunnen ook
blijven zoeken naar het omwille van …en proberen daar gehoor aan te
geven. Dan zijn we gelukkig en zullen, zoals Jeremia zegt, tijden
van droogte ons niet deren en ons leven, ook ons gezamenlijk leven,
zal vrucht dragen. |