Foto: Evangelie volgens Lucas
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot


Preken: Lucas 4, 21 - 30

Door Nel van Cuijk, gehouden op 31 januari 2010

 

Wat heeft gemeenschap nu nodig van mij?

 

Vorige zondag hoorden we over de man Jezus die een boekrol aangereikt kreeg. Hij opende de rol en las het woord van Jesaja: “De Geest des Heren is op mij, gezalfd ben ik om een genadejaar aan te kondigen.” Het commentaar van Jezus op die passage was: “En dat is nu gebeurd; nu is er dat genadejaar van de Heer.”

De predikant van vorige week heeft ons gezegd: “En die geest is ook op mij en jou, en jou en jou – als navolgers van deze Jezus; ook op ons is de geest gekomen.” Vorige zondag ging het over Jezus als een begenadigd mens, als onze voorganger. Vandaag gaat het over ons. Wat is ónze reactie op die boodschap? De reactie van de mensen toen, de generatiegenoten van Jezus, was op z’n zachts gezegd sceptisch. ‘Kom maar wonderen doen, anders ben je niet méér dan de zoon van de timmerman’, heeft Lucas ons verteld. Ook, dat die reactie door Jezus uitgelokt werd. Een mens die vol is van Gods geest durft reacties uit te lokken, hij durft aan te wijzen wat er mis is, de vinger op de zere plek te leggen. We hoorden het van Jezus en we hoorden het van Jeremia, hoe hij niet anders kon ook al zou hij dat misschien wel willen, hij moet de woorden van God spreken, woorden om af te breken maar ook woorden om op te bouwen. In de ogen van God ben je nooit te jong en misschien ook wel nooit te oud. “Ik ben bij je”, zegt God tegen Jeremia, en “Jij jonge man, je bent niet te jong, jij moet zeggen wat ik je in de mond leg. En de mensen zullen over je heen vallen, ze zullen je niet zien staan met je boodschap en toch, spreek wat ik je in de mond leg.”

Als ik nu probeer om deze boodschap van Jezus in onze tijd, in ons leven te plaatsen dan heb ik het volgende gehoord.

Wij kregen op dag één van de eerste maand van het jaar 2010 een boodschap. Een man liet ons zien waar hij van droomde, hij droomde over groei, niet over vreselijk je best doen maar over groei zoals we nu tegen kale bomen aankijken maar over enkele weken groen tevoorschijn zien komen. De groei van het verschijnen, van het tevoorschijn komen. Dat vraagt, niet meer en niet minder, dan een open oog en een open hart. Ik moet daarom tegen jullie zeggen: “Jij, wat zie jij tevoorschijn komen? Jouw antwoord doet er toe.”

Op die eerste dag sprak die man over verantwoordelijk, over antwoord op een licht-woord. Welk antwoord komt er in jou aan het licht als je je verdiept in dat oeroude begin van dit samenleven. Dat woord van het begin ‘waar twee of drie in mijn naam samenleven, daar ben ik in hun midden’. God is liefde en liefde is voor jou bestemd en voor alle mensen. Of wil jij meebouwen aan een hartelijke kerk. Welke zeggingskracht heeft dat woord voor jou, voor mij vandaag, voor deze tijd, voor wie wij nu zijn, wie wij nu geworden zijn. Daar hoeft niets van af.

Mijn inschatting, om een eerste antwoord te geven, is dat we voor groei, voor het spel van samenleven een kern nodig hebben. Een kern van mensen die niet bang zijn, niet bang meer zijn, om te zeggen, ik ben aanspreekbaar, je kunt me altijd vragen voor gemeenschap, ik zal misschien niet altijd ja kunnen zeggen, maar als het enigszins kan zal ik ja zeggen. Een kern van mensen die in hun aanwezigheid, in hun beschikbaarheid, getuigen van dat aloude woord ‘waar twee of meer in mijn naam aanwezig zijn daar is de Heer in hun midden’. Zich geroepen weten om precies dat ene te realiseren, dat samenleven in Zijn naam gestalte te geven, samen een christelijke gemeenschap te vormen, geroepen om te leven met de vraag in je hart: wat heeft gemeenschap nu nodig van mij? Geroepen zoals de man Jezus ooit een aantal mensen riep en ze tot leerlingen maakte, tot getuigen, tot dragers van een geloof in een God die liefde is, nabijheid en ogen van blinden opent en oren van doven, de honger stilt en de huidvraat geneest. Die mannen van toen, ze waren jong of oud, ze waren getrouwd of niet, ze lieten zich roepen. Roepen uit de sceptische massa die alleen maar terugroept: ‘Wie denk je wel dat je bent. We kennen je toch’. Dat kunnen we vandaag ook roepen: ‘Samenleven, kern, dat hebben we toch achter ons gelaten, daar gaan we toch niet meer aan beginnen.’

De man op de eerste dag van het jaar vroeg of we allemaal vijf lotjes in willen vullen en vanuit de plek waar we staan zeggen: ‘Kijk, zo zie ik de gezamenlijke toekomst van de plek waar mijn hart ligt’.

Zo zie ik het want;

Liefde betekent jezelf bekijken,

zoals je vreemde dingen bekijkt,

want jij bent maar één ding van de velen.

En wie zo kijkt, al beseft hij het niet

kan zijn hart van vele zorgen genezen,

vogel en boom noemen hem: mijn vriend.

 

Hij wil van zichzelf en de dingen genieten,

zodat ze gloed van voltooiing bereiken.

Het geeft niet dat hij soms niet weet wat te dienen;

Niet hij die begrijpt dient het best.

Czeslaw Milosz