|
|
Preken: Lucas 1, 1 - 20
Door Nel van Cuijk, gehouden op 25 december 2008
Ik geloof in het wonder van nieuw
leven met God, in God en door God
Soms is het goed je af te vragen wat
iemand kan bedoelen met het schrijven van verhalen. Het is crisis
ten tijde van Lucas en de keizers van deze wereld kiezen er dan voor
om decreten uit te vaardigen en mensen te tellen; ze willen bezien
hoe groot hun leger kan worden of hoeveel belastinggeld ze kunnen
innen. Lucas kiest voor een verhaal. En ik heb mij proberen voor te
stellen wat Lucas voor een boodschap wilde geven aan de mensen van
zijn tijd met dit geboorteverhaal.
Het is goed ons te realiseren dat
Lucas, zeer waarschijnlijk, een behoorlijk oude man is als hij dit
verhaal schrijft. Hij heeft zijn verhaal over Jezus al lang af, het
verhaal van zijn leven en zijn dood en zijn verrijzenis. Dat verhaal
is op papier gezet en het cirkelt rond in de verschillende gemeentes
die hij en Paulus bezocht en gesticht hebben. De verhalen rond de
geboorte van Jezus en Johannes zijn van veel latere datum. Waarom
heeft Lucas deze verhalen er nog bij gedaan, wat bezielde hem?
Volgens Nico ter Linde vroeg zijn vrouw aan hem: ‘Waar zit je op te
broeden, Lucas; is het nog niet af?’ ‘Nee, het is nog niet af, er
moet nog iets.’ ‘Waarom dan?’ ‘Er moet een verhaal komen over hoe ze
bij elkaar horen, dat oude vertrouwde volk van Israël en dat net
iets andere volk van die volgelingen van Jezus.’ En dan vertelt
Lucas het verhaal van de oude Zacharias en zijn vrouw Elisabeth en
van dat jonge maagdelijke nichtje Maria en haar verloofde Jozef. Ze
zijn verwanten van elkaar zoals Jodendom en christendom verwanten
zijn van elkaar.
Er moet een verhaal komen, want er
is crisis. De mensen zitten in zak en as; de tempel in Jeruzalem is
verwoest, en Jeruzalem is een puinhoop. Haar bewoners zijn
weggevoerd, over de aardbodem gestrooid. Misschien waren er wel
triomfantelijke christenen in de gemeente die vanouds her niet-joods
waren, misschien hadden ze iets van ‘zie je nu wel, het oude is
voorbij, over en uit.’ Nee, zegt Lucas, we horen bij elkaar, we
hebben elkaar nodig, Jezus komt voort uit die oude geschiedenis, wij
mogen Hem en onszelf niet ontwortelen. Luister maar, luister naar
het verhaal van Zacharias en Elisabeth, het lijkt sprekend op het
verhaal van Abraham en Sara, alleen toen lachte Sara een tikkeltje
ongelovig en nu is het Zacharias die zo zijn twijfels heeft bij de
boodschap dat er nog nieuw leven uit hen beiden zal voortkomen.
Luister hoe hun zoon Johannes de zoon van Maria en Jozef aanwijst
als de door God gezalfde, als Messias. Het nieuwe volk komt voort
uit en wordt aangewezen door het oude volk. Luister, zegt Lucas: er
is altijd al en steeds opnieuw een belofte over ons uitgesproken.
Vanaf den beginne is er een licht over ons opgegaan, door alle
eeuwen heen is ons een boodschap verkondigd, een boodschap van een
God die trouw is.
En nu, nu de tempel in puin ligt en
Jeruzalem een puinhoop is, en God in de ogen van velen nergens is –
zoals God ook nu nergens is in de ogen van velen – nu begint God
opnieuw ergens in een uithoek van de wereld, heidens is het er en
onherbergzaam, er wonen alleen maar arme mensen, het is een streek
waar niets goeds vandaan kan komen. Daar, vertelt Lucas, begint het
weer en begint het weer opnieuw. Midden in de mensengeschiedenis en
door middel van de mensengeschiedenis. Klein is het en schamel, een
klein kind, een gekruisigde, niets om mee te pronken, ook al pronken
alle moeders met hun kind en alle oma’s met hun kleinkind.
Gewoon is het, zo gewoon dat je het
over het hoofd ziet. En, zo schrijft ons een andere oude man,
Martinus (een vriend van de gemeenschap): ‘Het is het eeuwige
verhaal. Een kind ons geboren in een wereld van hard werken en veel
verdriet. Waar beginnen ze aan die mensen. God begint in hen een
nieuw begin. Kijk met de ogen van het kind in jou. En voor je het
weet begint opnieuw een nieuw begin van elkaar zien en omzien naar
elkaar.’
Lucas roept en opent ons de ogen.
Kijk, zegt hij, kijk goed. Een jonge man uit het geslacht van David,
uit dat geslacht moet immers een nazaat komen die herder over Israël
zal zijn, en een jonge vrouw, onbelast, maagdelijk, onbevangen, met
een verlangen in haar leven naar vervulling van leven, naar liefde,
naar een vervulling van de belofte zoals die aan Abraham en zijn
geslacht beloofd is; zo zingt ze dat uit ‘want God heeft mij gezien’
jubelt ze. Er is de engel, die haar aankondigde dat zij een kind zou
baren, een zoon, die ze Jezus moet noemen, want God redt, God wil
altijd reddend en bevrijdend aanwezig komen in ons midden.
En er zijn herders , natuurlijk zijn
er herders, herders zijn mensen die weten wat het betekent om te
waken, om zorg te hebben voor de kudde. Hoe vaak wordt God niet met
een herder vergeleken. Of hoe vaak heeft God al niet middels zijn
profeten gezegd dat hij andere herders aan zal stellen die wel zorg
dragen voor hun kudde, voor het volk. En hoe vaak wordt Jezus niet
herder genoemd, goede herder. Dus zijn er herders die dit pasgeboren
kind begroeten. En in de ogen van de herders en in hun gedrag, in
hun blijdschap ziet deze pasgeborene zijn roeping en zijn bestemming
in het leven. Herder zijn, goede herder zijn.
En bij alle bijzondere geboortes in
het oude boek geschreven komen er engelen aan te pas. Boodschap van
God betekent dat. En de engel vertelt aan de herders: een boodschap
van grote vreugde voor de hele gemeenschap. Een redder, een
bevrijder. Zo getuigt Lucas en hij vraagt of wij meekijken en mee
doen en mee geloven in dit oh zo wonderlijke en onooglijke begin van
een nieuw plan van God. Toen voor zijn gemeentes, die op de
puinhopen van de tempel zaten, of verspreid onder de vele volken
leefden. En vandaag ook aan ons.
God gebeurt, God is een gebeuren,
een werkwoord en God gebeurt in en door mensen, gewone mensen, niets
bijzonders. Onooglijk, op een plaats van niets, op een plaats van
crisis.
Als wij een vindplaats van geloof
willen zijn, dan moet het aan mij te zien zijn. Dan heb ik het op
mij genomen dat God in mij het eerste en het laatste woord heeft.
Dan ben ik niet van mijzelf alleen en dan ben ik ook niet van jou of
jullie.
Kerstmis vieren is plaats maken
opdat zich in mij en in jou en tussen ons in een woord kan
ontkiemen, een kind kan opgroeien, een kwetsbaar mens niet gebroken
wordt. Het lijkt allemaal vanzelfsprekend maar dat is het niet, dat
was het niet anno het jaar nul en dat is het vandaag ook niet.
Wat vieren wij met kerst. Met kerst
vieren wij de volgehouden liefde, dat in Hem het “en toch, hier ben
ik” gestalte kreeg. Dat we trots zijn op ons christen zijn. Durven
uitkomen voor wat we geloven en dat gewoon in één zin zeggen.
Ik geloof in het wonder van nieuw
leven met God, in God en door God.
|