|
|
Preken: Lucas 15, 11 - 32
Door Nel van Cuijk
Laten we feest vieren!
‘Wie oren heeft om te horen moet horen’. Daarmee
eindigde Lucas zijn veertiende hoofdstuk van het evangelie. Vandaag
begint hij met: ‘Alle tollenaars en zondaars naderden Hem om Hem te
horen.’ Het uitschot van de toenmalige samenleving, zij die niet
geteld en niet gezien worden, zij op wie wordt neergekeken, zij zijn
het die de oren hebben om te horen. Hoe wonderlijk.
En de andere partij zijn natuurlijk
de Farizeeën en schriftgeleerden, de upperclass van de toenmalige
samenleving, de besten, de voornamen. Er wordt tegen hen op gezien
en zij morren, zoals eens dat volk in de woestijn. Ze vinden het
schandalig wat Jezus doet: omgaan met dat slag volk, met hen eten en
drinken. Zij die de goede oren zouden moeten hebben, hebben er geen
oren naar.
Maar Jezus gaat niet in op hun gemor en gevit. Hij discussieert niet
meer met hen. Hij neemt het woord en vertelt drie verhalen, twee
korte en een lang verhaal. Alle drie parels, parels waar de
Farizeeën toen en wij nu onze conclusies uit kunnen trekken.
De sleutelwoorden in die drie verhalen van vandaag zijn: verliezen
en vinden, verloren lopen en terugkeren, verloren raken en gevonden
worden. Verliezen en verloren lopen staat gelijk aan dood zijn, want
zo zegt de vader tegen zijn oudste zoon: je broer was dood en is
weer levend geworden. Hij was verloren en is weer terug gevonden.
Wat mijn verbazing wekt is de enorme vreugde om die ene zondaar die
zich bekeert. Verwanten, vrienden en vriendinnen, de hemel en de
engelen van God, alles en iedereen wordt erbij betrokken. En, als je
goed leest, zegt Jezus: de enorme vreugde die jullie hebben over het
terugvinden van een schaap of een geldstuk, diezelfde vreugde is er
bij God om een mens die dreigde verloren te lopen.
Ik wil vandaag nog wat verder stilstaan bij de gelijkenis van de
vader die twee zonen heeft. De jongste zoon ziet het thuis niet meer
zitten bij zijn vader en broer. Tenminste, dat kun je opmaken uit
zijn verzoek om de erfenis te delen. We kunnen ons afvragen om welke
erfenis hij vraagt. Was het alleen maar materieel of vroeg hij ook
nog om iets anders? Er staat immers: niet lang daarna vertrok hij
naar een ver land. Hij is dus niet meteen het huis uit getrokken.
Misschien had hij iets anders verwacht van zijn vader en broer. In
de bijbel gaat het vaak over de jongste zonen. Denk aan Esau en
Jakob en aan Jozef en zijn broers. De jongste zonen dragen de naam
van God door; zij erven de zegen over zichzelf en hun nakomelingen.
Ze bewerken iets bijzonders tussen God en mensen.
Als ik naar de gang van zaken in onze kerken kijk, dan denk ik dat
wij allen kunnen constateren dat de jongste zonen en dochters de
kerken massaal verlaten hebben. Een groot deel van hen heeft nog een
stuk van de rijkdom wat kerk heet vanuit het gezin mee gekregen.
Maar ze zijn de wereld ingetrokken en trekken zich van al wat kerk
heet niets meer aan. En in tegenstelling tot de jongste zoon uit het
evangelie, maken ze het goed; in Nederland althans. Ze krijgen banen
toegewezen, verdienen enorm veel geld, rijden in de mooiste auto en
zappen over de elektronische snelweg de hele wereld over. Een enkele
looser zit er wel tussen, maar voor velen kan het gewoon niet op.
Hebben wij de vraag van de jongere generatie wel verstaan? Met hard
werken hebben we een enorme economische welvaart bereikt. We hebben
de sociale en kerkelijke controle en uitdagingen van ons afgeworpen.
We maken zelf wel uit wat goed is en waar; daar hebben we een kerk
niet meer voor nodig. De angst om uit de hand van God te vallen
bestaat niet meer. God is immers een fantasie van mensen geworden.
En trouwens, mensen uit angst de kerk in krijgen lijkt mij haaks te
staan op de boodschap van Jezus.
Wij ouderen, en ik denk dan aan de vijftigers, hebben een
economische erfenis aan onze kinderen gegeven; de erfenis van geloof
en hoop en de boodschap van liefde en vergeving hebben we echter
onvoldoende aan hen overgedragen. Er zijn misschien wel teveel
vijftigers die zelf niet meer in liefde en vergeving geloven. Lijken
wij op die oudste zoon, die wel in het huis van de kerk bleef, maar
zuur geworden is; nooit een gebod overtreden maar ook nooit feest
gevierd?
De oproep in het evangelie van vandaag lijkt me met name aan de
generatie van de vijftigers gericht. Durven we het aan om dichtbij
de vader te gaan staan? Met hem uit te zien naar de jongste
generatie en hen een feest aan te bieden als ze berooid of rijk,
leeg van het moeten scoren, gedesillusioneerd omdat hun zoveelste
relatie mislukt is, toch weer bij de kerk aankloppen? Zien we naar
hen uit als ze schoorvoetend aangeven toch weer iets met die kerk te
willen omdat ze nu een kindje hebben gekregen? Ontvangen we hen dan
met vreugde of staan we met ons oordeel en met het gelijk van de wet
in onze hand klaar, boos en nors over onze eigen manier van leven?
Grondig geeft Jezus ons vandaag te kennen dat er niets of niemand is
die verloren mag lopen en zeker niet als het gaat over onze jongste
broeders en zusters.
|