Preken: Lucas 6, 27 - 38
Door Niek Werkhoven, gehouden op 18 februari 2007
Gun je ‘ik’ de ruimte
Een
evangelie waar je eigenlijk het liefst niets over zou willen zeggen,
want je doet ofwel het evangelie te kort, ofwel de realiteit waarin
we leven. De lat wordt immers wel erg hoog gelegd. Is daar wel
serieus naar te luisteren? Toch hoor ik in deze woorden iets van:
gun je ‘ik’ de ruimte!
Maar laat ik eerst Peter Schmidt[1]
aan het woord, een theoloog uit Leuven, hij gaf me de moed om naar
dit evangelie te blijven luisteren. Hij zegt:
Bemin je vijanden; slaat iemand op je wang, biedt hem dan ook de
andere… pakt men iets van je weg, vraag het niet terug….
Kun je je kinderen of je medeburgers wel leren dat zij iets niet
moeten terugvorderen, wanneer het afgenomen wordt?
Het lijkt alsof je een aantal van deze woorden
eventueel nog voor jezelf kunt kiezen, als er geen ernstige sociale
gevolgen aan verbonden zijn. Maar zolang je een gezin hebt, of
verantwoordelijkheid voor een of andere groep: mág je jezelf dan
laten benadelen of bestelen? Wat met je verantwoordelijkheid voor
derden?
Nu kan men wel zeggen dat de woorden van Jezus de utopie van het
Rijk van God midden in onze harde realiteit brengen. Dat is ook zo,
maar dan moet men meteen ook toegeven: de woorden of handelswijzen
van het evangelie zijn niet zo letterlijk bedoeld, doch verwijzen
eerder naar een geest, een mentaliteit…
We kunnen daarmee eventueel nog akkoord gaan,
maar dan zijn we toch onmerkbaar bezig met een beeldverschuiving ten
overstaan van een meer oorspronkelijke eschatologische context van
deze woorden (d.w.z. een plotselinge totale ommekeer van de
bestaande verhoudingen n.w). Zij verwijzen naar een soort
onrealiseerbaar ideaal, maar ze moeten hoe dan ook voortdurend
aangepast worden aan de leefbaarheid en haalbaarheid van een
maatschappelijke ethiek.
Tot
zover Schmidt.
We hoeven deze woorden dus niet als zoete koek te
slikken, we moeten zoeken naar de leefbaarheid en haalbaarheid
van een maatschappelijke ethiek, hier voor ons. En dat is een
hele uitdaging want dat Jezus provoceert is niet te ontkennen.
Het
lezen en herlezen, want het gaat niet aan je er gemakkelijk van af
te maken, bracht me toch wat licht, vond ik zelf. Het is gemakkelijk
te zien dat dit evangelie in drieën te verdelen is: inleiding, kern
en conclusie.
Jezus begint door zich te richten tot hen die
willen luisteren: tegen jullie die luisteren zeg ik… Als je
goed oplet merk je dat er niet staat naar mij luisteren, een
tegemoetkomen aan hen die vooral beklemtonen dat je vooral naar
jezelf moet luisteren? Daar is niets mis mee, want echt luisteren
sluit dat in. Maar deze eerste zin maakt ook duidelijk dat Jezus
zichzelf niet centraal stelt door een soort bevelen uit te delen.
Wel vraagt Hij een meedenken wat iets anders is dan eigen ideeën,
eigen maat, vasthouden. Goed, Jezus wijst naar de top van een hoge
berg, let wel ik zeg niet Hooge Berkt, al kan het verrassend veel op
elkaar lijken. Maar het verwijzen naar de hoge top eindigt met:
zoals jullie willen dat de mensen jullie behandelen… Hoe is dit
laatste stukje zin te verstaan? Is daar niet het appèl in te horen:
luister naar je diepste verlangen, je verlangen naar een vrij,
veilig, gelukkig, zinvol leven. Doe daar iets mee, laat dat niet
verstikken.
En het tweede deel, de kern, is gemakkelijk te
herkennen aan het terugkerend refrein: is er dan reden tot
dankbaarheid. Dat zinnetje heeft me getroffen. Het woord dat
vertaald wordt met ‘dankbaarheid’, hoort Maria ook uit de mond van
Gabriël: je hebt genade gevonden bij God. En van Jezus zelf
werd gezegd dat hij opgroeide terwijl de genade van God op hem
rustte. Het gaat dus over dank, genade, welgevallen… Als je dat
bij elkaar neemt kunnen we Jezus horen spreken over kwaliteit van
leven. Iets in de trant van: als je jezelf opsluit in een vertrouwde
vriendenkring, bouw je dan mee aan een wereld die snakt naar vrede
en veiligheid? Zet je jezelf dan in voor een leven waar je naar
uitziet? Draag je zo bij om ‘genade’, Gods genade, te realiseren?
En na deze vragen komt Jezus weer terug op het
begin: liefhebben, goed doen. Woorden die bijna niet meer onbevangen
opgenomen kunnen worden omdat ze zo versleten en misbruikt zijn.
Misschien is het ook wél zo belangrijk te letten op wat volgt:
jullie zullen dochters en zonen van de Allerhoogste zijn…zoals
jullie Vader…
Vorige week hebben we in een kleine kring het ons laten zeggen: God,
en dus geloof, kan niet door woorden overgebracht worden. Daar kan
je alleen van getuigen, laten zien dat je vertrouwen stelt in de
werkelijkheid die zo anders is dan wat we met onze ogen zien en met
onze handen aanraken. Zonen en dochters van de Allerhoogste, geen
‘kinderen van God’ maar volwassenen die weet hebben van een
afhankelijkheid die niet ten koste gaat van vrijheid.
Mensen die weet hebben van het op elkaar aangewezen zijn, en het
daarom doen.
Het blijft staan: Jezus provoceert, maar Hij
stelt geen eisen. Hij wijst naar een toppunt, maar dwingt niet dat
ieder de top moet bereiken. Dat hoor ik tenminste in de laatste zin:
met de maat waarmee jij meet… De maat, de genade, die precies
aan jou gegeven wordt – die maat die we zelf dikwijls niet kennen,
niet durven te zien omdat we te bang, te gekwetst, te trots zijn, en
daarom maar liever anderen de maat nemen. Maar het kan anders: Ik
ben met je.
Ik
ben met je, hier en nu om jouw maat tot een volle en
overstromende bijdrage te maken voor de samenleving waarin we leven,
waarin we zijn wie we zijn. Ja, gun je ‘ik’ de ruimte door te
blijven zoeken naar de leefbaarheid en haalbaarheid van een leven
met en voor elkaar. Daartoe worden we uitgenodigd te eten en te
drinken om de Geest te ontvangen die ons kan brengen naar de volle
waarheid.
[1] Peter Schmidt, In
handen van mensen
|