|
|
Preken: Lucas 6, 17 + 20 - 26
Door Tineke Renkema
Vloek en zegen, geluk en o wee
De beide lezingen
die we zojuist lazen, zowel die uit het boek van de profeet Jeremia
als die uit het evangelie, brengen ons bij een niet makkelijk te
begrijpen, scherpe onderscheiding tussen wanneer er vloek en wanneer
er zegen op mensen rust, tussen wanneer het o wee geldt en wanneer
iemand zich gelukkig mag prijzen.
Bij Jeremia
klinkt: “Vervloekt is hij die op mensen vertrouwt, gezegend is hij
die op de Heer vertrouwt”. Een eerste reactie. Niet vertrouwen op
mensen, op mijn naaste, die is zoals ik zelf ben? Niet vertrouwen op
mensen? Bij voorbaat? Als uitgangspunt, los van wat ik aan iemand
heb ervaren? Het klinkt als een vloek in mijn oren, als een houding
die meer getuigt van ongeloof dan van geloof. Wij mensen zijn toch
op elkaar aangewezen?
Hoe kunnen wij toch luisteren naar een dergelijke uitspraak?
Allereerst is het belangrijk om ons te realiseren, wie er spreekt.
Wat maakt iemand geloofwaardig en gezagvol? Die vraag leeft ook bij
ons. Geloofwaardig en gezagvol is een mens die niet zichzelf in het
centrum plaatst, maar die verwijst. Een mens die andere mensen niet
aan zichzelf, niet aan de eigen persoon, bindt, maar aan hun diepste
zelf.
Jeremia is een profeet, die deze kenmerken draagt en op die manier
geloofwaardig is en gezag heeft.
Maar hoe kunnen
wij dan deze ervaring van deze profeet, van eertijds, verbinden met
iets van onze eigen ervaring nu, zodat de vonk overspringt?
“Vervloekt is hij die op mensen vertrouwt, gezegend is hij die op de
Heer vertrouwt”. Wij worden door deze woorden in een spanningsveld
gebracht. En aan mijn eerste verontwaardigde reactie ‘hoe kan een
mens bij voorbaat nu niet op een ander mens vertrouwen?’, merkte ik
de neiging om die spanning uit de weg te gaan door het vertrouwen op
God tegenover het al dan niet vertrouwen op mensen te plaatsen. Ik
besefte, wil ik in die spanning blijven, dan moet ik deze twee
uitspraken beide laten staan. Het gaat niet om óf het een óf het
ander, maar het gaat om én, én.
Ik kwam tot het volgende:
Waar de mens als schepsel zich verbindt, zich verbindt met zijn
Schepper, beseft hij, dat hij het leven niet zelf heeft gemaakt,
maar gekregen; daar is hij geopend, niet alleen naar God, maar
daarin ook naar zijn medemens, die deze vonk van God in zich draagt
en wordt hij tot zegen.
Waar een mens zichzelf genoeg is, alleen als mens op zichzelf
vertrouwt, raakt hij opgesloten in zichzelf en de ander verdwijnt
meer en meer uit zijn gezichtsveld. Deze afgeslotenheid maakt de
mens onbetrouwbaar en dit slaat als een vloek op hem terug.
Brengt dit verder
bij het verstaan van de tekst van de evangelielezing, in de spanning
tussen mensen die geluk wordt aangezegd en mensen die het o wee over
zich horen afroepen?
Laten we het zien.
Ook hier, wie is
het die tot ons spreekt?
In de hoofdstukken hiervoor kunnen we lezen hoezeer Jezus een
geroepene is, hoezeer hij aan zijn roeping gehoor geeft door te
verkondigen, door te genezen en te onderrichten. In het
tekstgedeelte dat onze lezing voorafgaat kunnen we lezen hoe hij
omhoog ging, de berg op, om te bidden. De berg als plaats van
verbinding tussen hemel en aarde. Een plaats waar een mens uitstijgt
boven het tweedimensionale vlak van lengte en breedte. Een mens in
open verbinding met Zijn Schepper. Dat maakt hem gezagvol en
geloofwaardig. Bij uitstek een gezegend mens die op de Heer
vertrouwt, zou Jeremia zeggen.
Jezus staande in
die open verbinding, kiest zijn apostelen, daalt dan af, terug naar
de werkelijkheid, de realiteit en vindt daar een grote menigte.
Hij vindt daar wellicht ook ons, zoals wij hier vandaag naar toe
gekomen zijn, aangetrokken door deze gezagvolheid, deze te
vertrouwen mens, door wie wij ons willen laten onderrichten.
Het is goed om je dat voor te stellen: Hij spreekt ons hier en nu
aan.
Daar zitten wij dan, op een vlak terrein, midden in onze realiteit
en horen Jezus zeggen: Gelukkig zijn jullie: Gelukkig zijn jullie,
die je bevinden in die zeer benarde, pijnlijke situaties van
armoede, honger, verdriet, en die veracht, buitengesloten worden. En
wee jullie: wee jullie die je bevinden in een situatie van rijkdom,
voldaan zijn, van lachen, van graag gezien en geprezen worden.
Maar ook hier is
de vraag, hoe kunnen wij deze ervaring van deze Mensenzoon, waarvan
Hij ons deelgenoot maakt, begrijpen, en verbinden met iets van onze
eigen ervaring, zodat de vonk overspringt?
Het kan immers toch niet de bedoeling zijn dat als wij ons bevinden
in een situatie van armoede, honger en pijn, dat wij dan gelukkig
worden geprezen.
Het kan niet zijn bedoeling zijn dat als wij het goed hebben, ons
geluk ons wordt misgund, ons geluk verdacht wordt gemaakt.
Het kan toch niet zijn dat als wij mensen lijden in het
hier-nu-maals, getroost worden met geluk in het hier-na-maals. Dat
zou toch een valse troost zijn. Hoewel de letterlijke woorden
“Vergeet niet, in de hemel wacht jullie een rijke beloning” het wel
oproepen, kan het toch niet de bedoeling zijn dat er sprake is van
een aards tranendal nu en een hemels paradijs straks.
Al luisterend kwam
ik tot het volgende, natuurlijk altijd voorlopige verstaan:
Is het niet zo, dat we in onze armoede, in onze gebrekkigheid,
kunnen erkennen dat wij beperkt en begrensd zijn. Dat wij in onze
armoede en onze honger ons wel moeten uitstrekken naar die ander?
Dat wij in onze honger verlangen naar voedsel dat blijft, en onze
inzet eraan geven om dit te bewerkstelligen? Dat waar wij minder te
verliezen hebben ons meer kunnen geven?
Is het niet zo, dat wanneer wij verdriet hebben, omdat er veel te
huilen is, wij niet gepantserd zijn, gevoelig zijn voor al diegene
die lijden, onze menselijkheid niet kwijt zijn geraakt door
onverschilligheid?
Is het niet zo, dat als wij door de Geest gedreven, trouw zijn aan
onze roeping om mensenzonen en dochters te worden, mensen zoals
bedoeld, juist dan grond hebben om onbegrip en cynische reacties te
kunnen dragen?
En is het niet zo dat de keerzijde van deze medaille is, dat waar
wij rijk zijn, verzadigd, lachend, van alle kanten geprezen, wij
opgesloten dreigen te raken in ons bezit, onverschillig voor lijden,
gemaskerd door de keep-smiling mentaliteit, vervreemd van het
visioen van een bewoonbare wereld, een hemel op aarde.
Zo leven wij in
het spanningsveld van het gelukkig zijn en het o wee. Ook hier is
het niet óf óf, het een tegenover het ander, maar én én.
Het o wee geldt waar wij onszelf genoeg zijn, waar we afgesloten
leven, waar de ander uit ons gezichtsveld verdwijnt. Daar zijn we,
volgens de woorden van Jeremia, onbetrouwbaar en tot vloek.
Het geluk geldt waar wij weten te leven in een open verbinding, in
een verhouding van een schepsel tot een Schepper, diep besef hebbend
van gekregen leven, en zo open weten te staan naar elkaar. Daar zijn
wij te vertrouwen en tot zegen.
God wil ons geluk. Wat is geluk? Geluk is: Leven in een open
verbinding, met Hem, met ons zoals we zelf zijn, oog in oog met die
ander, die naast ons is.
|