Foto: Evangelie volgens Lucas
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Lucas 6, 17 + 20 - 26
Door Tineke Renkema

Vloek en zegen, geluk en o wee

De beide lezingen die we zojuist lazen, zowel die uit het boek van de profeet Jeremia als die uit het evangelie, brengen ons bij een niet makkelijk te begrijpen, scherpe onderscheiding tussen wanneer er vloek en wanneer er zegen op mensen rust, tussen wanneer het o wee geldt en wanneer iemand zich gelukkig mag prijzen.

Bij Jeremia klinkt: “Vervloekt is hij die op mensen vertrouwt, gezegend is hij die op de Heer vertrouwt”. Een eerste reactie. Niet vertrouwen op mensen, op mijn naaste, die is zoals ik zelf ben? Niet vertrouwen op mensen? Bij voorbaat? Als uitgangspunt, los van wat ik aan iemand heb ervaren? Het klinkt als een vloek in mijn oren, als een houding die meer getuigt van ongeloof dan van geloof. Wij mensen zijn toch op elkaar aangewezen?
Hoe kunnen wij toch luisteren naar een dergelijke uitspraak?
Allereerst is het belangrijk om ons te realiseren, wie er spreekt. Wat maakt iemand geloofwaardig en gezagvol? Die vraag leeft ook bij ons. Geloofwaardig en gezagvol is een mens die niet zichzelf in het centrum plaatst, maar die verwijst. Een mens die andere mensen niet aan zichzelf, niet aan de eigen persoon, bindt, maar aan hun diepste zelf.
Jeremia is een profeet, die deze kenmerken draagt en op die manier geloofwaardig is en gezag heeft.

Maar hoe kunnen wij dan deze ervaring van deze profeet, van eertijds, verbinden met iets van onze eigen ervaring nu, zodat de vonk overspringt?
“Vervloekt is hij die op mensen vertrouwt, gezegend is hij die op de Heer vertrouwt”. Wij worden door deze woorden in een spanningsveld gebracht. En aan mijn eerste verontwaardigde reactie ‘hoe kan een mens bij voorbaat nu niet op een ander mens vertrouwen?’, merkte ik de neiging om die spanning uit de weg te gaan door het vertrouwen op God tegenover het al dan niet vertrouwen op mensen te plaatsen. Ik besefte, wil ik in die spanning blijven, dan moet ik deze twee uitspraken beide laten staan. Het gaat niet om óf het een óf het ander, maar het gaat om én, én.
Ik kwam tot het volgende:
Waar de mens als schepsel zich verbindt, zich verbindt met zijn Schepper, beseft hij, dat hij het leven niet zelf heeft gemaakt, maar gekregen; daar is hij geopend, niet alleen naar God, maar daarin ook naar zijn medemens, die deze vonk van God in zich draagt en wordt hij tot zegen.
Waar een mens zichzelf genoeg is, alleen als mens op zichzelf vertrouwt, raakt hij opgesloten in zichzelf en de ander verdwijnt meer en meer uit zijn gezichtsveld. Deze afgeslotenheid maakt de mens onbetrouwbaar en dit slaat als een vloek op hem terug.

Brengt dit verder bij het verstaan van de tekst van de evangelielezing, in de spanning tussen mensen die geluk wordt aangezegd en mensen die het o wee over zich horen afroepen?
Laten we het zien.

Ook hier, wie is het die tot ons spreekt?
In de hoofdstukken hiervoor kunnen we lezen hoezeer Jezus een geroepene is, hoezeer hij aan zijn roeping gehoor geeft door te verkondigen, door te genezen en te onderrichten. In het tekstgedeelte dat onze lezing voorafgaat kunnen we lezen hoe hij omhoog ging, de berg op, om te bidden. De berg als plaats van verbinding tussen hemel en aarde. Een plaats waar een mens uitstijgt boven het tweedimensionale vlak van lengte en breedte. Een mens in open verbinding met Zijn Schepper. Dat maakt hem gezagvol en geloofwaardig. Bij uitstek een gezegend mens die op de Heer vertrouwt, zou Jeremia zeggen.

Jezus staande in die open verbinding, kiest zijn apostelen, daalt dan af, terug naar de werkelijkheid, de realiteit en vindt daar een grote menigte.
Hij vindt daar wellicht ook ons, zoals wij hier vandaag naar toe gekomen zijn, aangetrokken door deze gezagvolheid, deze te vertrouwen mens, door wie wij ons willen laten onderrichten.
Het is goed om je dat voor te stellen: Hij spreekt ons hier en nu aan.
Daar zitten wij dan, op een vlak terrein, midden in onze realiteit en horen Jezus zeggen: Gelukkig zijn jullie: Gelukkig zijn jullie, die je bevinden in die zeer benarde, pijnlijke situaties van armoede, honger, verdriet, en die veracht, buitengesloten worden. En wee jullie: wee jullie die je bevinden in een situatie van rijkdom, voldaan zijn, van lachen, van graag gezien en geprezen worden.

Maar ook hier is de vraag, hoe kunnen wij deze ervaring van deze Mensenzoon, waarvan Hij ons deelgenoot maakt, begrijpen, en verbinden met iets van onze eigen ervaring, zodat de vonk overspringt?
Het kan immers toch niet de bedoeling zijn dat als wij ons bevinden in een situatie van armoede, honger en pijn, dat wij dan gelukkig worden geprezen.
Het kan niet zijn bedoeling zijn dat als wij het goed hebben, ons geluk ons wordt misgund, ons geluk verdacht wordt gemaakt.
Het kan toch niet zijn dat als wij mensen lijden in het hier-nu-maals, getroost worden met geluk in het hier-na-maals. Dat zou toch een valse troost zijn. Hoewel de letterlijke woorden “Vergeet niet, in de hemel wacht jullie een rijke beloning” het wel oproepen, kan het toch niet de bedoeling zijn dat er sprake is van een aards tranendal nu en een hemels paradijs straks.

Al luisterend kwam ik tot het volgende, natuurlijk altijd voorlopige verstaan:
Is het niet zo, dat we in onze armoede, in onze gebrekkigheid, kunnen erkennen dat wij beperkt en begrensd zijn. Dat wij in onze armoede en onze honger ons wel moeten uitstrekken naar die ander? Dat wij in onze honger verlangen naar voedsel dat blijft, en onze inzet eraan geven om dit te bewerkstelligen? Dat waar wij minder te verliezen hebben ons meer kunnen geven?
Is het niet zo, dat wanneer wij verdriet hebben, omdat er veel te huilen is, wij niet gepantserd zijn, gevoelig zijn voor al diegene die lijden, onze menselijkheid niet kwijt zijn geraakt door onverschilligheid?
Is het niet zo, dat als wij door de Geest gedreven, trouw zijn aan onze roeping om mensenzonen en dochters te worden, mensen zoals bedoeld, juist dan grond hebben om onbegrip en cynische reacties te kunnen dragen?
En is het niet zo dat de keerzijde van deze medaille is, dat waar wij rijk zijn, verzadigd, lachend, van alle kanten geprezen, wij opgesloten dreigen te raken in ons bezit, onverschillig voor lijden, gemaskerd door de keep-smiling mentaliteit, vervreemd van het visioen van een bewoonbare wereld, een hemel op aarde.

Zo leven wij in het spanningsveld van het gelukkig zijn en het o wee. Ook hier is het niet óf óf, het een tegenover het ander, maar én én.
Het o wee geldt waar wij onszelf genoeg zijn, waar we afgesloten leven, waar de ander uit ons gezichtsveld verdwijnt. Daar zijn we, volgens de woorden van Jeremia, onbetrouwbaar en tot vloek.
Het geluk geldt waar wij weten te leven in een open verbinding, in een verhouding van een schepsel tot een Schepper, diep besef hebbend van gekregen leven, en zo open weten te staan naar elkaar. Daar zijn wij te vertrouwen en tot zegen.
God wil ons geluk. Wat is geluk? Geluk is: Leven in een open verbinding, met Hem, met ons zoals we zelf zijn, oog in oog met die ander, die naast ons is.