|
|
Preken: Lucas 5, 1 - 11
Door Nel van Cuijk, gehouden op 4 februari 2007
Roeping: betrokken raken en gemeenschap thuis brengen bij de levende
God
Roeping is een
gebeuren, een aangetrokken worden het is aantrekkelijk en
huiveringwekkend tegelijk. Daar gaat het in de lezingen van vandaag
over. Als katholiek meisje of jongen wist je dat je roeping zou
kunnen krijgen. Hoe dat bij mijn protestante zusters en broeders is
weet ik niet. Maar in de RK traditie kon je een roeping krijgen,
mannen konden priester worden of kloosterling in alle mogelijke
vormen. Voor vrouwen was er maar één mogelijkheid: zuster worden,
non. Ik vond het zo rond mijn 17de 18de een
enge gedachte dat ik geroepen zou kunnen worden. Ik zat niet op
roeping te wachten.
En rond mijn 28ste
toen ik al enkele jaren in de gemeenschap was en begon te geloven
dat dit leven wat ik/wij hier leven misschien wel eens roeping zou
kunnen zijn, zei wijlen mijn lieve moeder “meidje trouwt of ga in
het klooster, want dit is zo vrimd”, eigenaardig is dat.
Roeping is spannend, is dingen zien en horen waar je geen vermoeden
van hebt. Ik bedoel niet hallucineren, maar roeping opent je ogen,
opent je oren, opent je geest voor andere werkelijkheden.
Luisteren we naar de woorden van Jesaja. “Ik zag de Heer gezeten op
een hoge en verheven troon”, zegt Jesaja, “en ik hoorde ‘heilig,
heilig, heilig’” en dat betekent: het is anders, het is anders. Wat
is er dan anders? Jesaja leefde in de tijd van grote koningen, hij
hoorde bij de notabelen van het land en had invloed op het hof, was
kind aan huis bij de toenmalige heersers van het volk. Hij ziet de
koningen zitten op hun hoge en verheven tronen en hij ziet in een
visioen de Heer gezeten op een hoge en verheven troon. En hij hoort
roepen, zingen dat het anders is, anders is de Heer van de machten.
Anders dan de koningen die hij meemaakt. Zij zijn de baas over een
stukje land en proberen uit alle macht om andere stukjes land te
veroveren en daarmee hun eigen macht te vergroten. Maar de Heer van
de hemelse machten is heerser over de hele aarde, alleen de zoom van
zijn mantel is al groot genoeg om de hele tempel te vullen. De Heer
van de hemelse machten is een ander soort heerser. En hij wil Jesaja
betrekken in dat anders heersen, dat heersen dat dienen is. Mensen
bevrijden en opbeuren, knikkende knieën en bevende handen
ondersteunen. Roeping bij Jesaja is dat de grond onder je voeten
schudt, dat de deuren uit hun dorpels gerukt worden en dat een diep
besef van nietigheid, van kleinheid je overvalt. “God” roept Jesaja
“ik ben een mens met onreine lippen en woon te midden van een volk
met onreine lippen”. Geroepen worden is een overweldigende ervaring.
Niettemin is het ook een ervaring die je de kracht geeft om dingen
te doen die je anders niet voor mogelijk gehouden zou hebben. Om
anders te zijn, heilig anders, niet meedoen met het gebruikelijke
machtsspel. “Wie moet ik zenden” vraagt God en na gereinigd te zijn
van de onreine lippen zegt Jesaja heel duidelijk: “Hier ben ik, zend
mij”.
En dan het verhaal
van Lucas, hij die alles nauwkeurig onderzocht heeft. Hij vertelt
ons vandaag opnieuw over Jezus. Hij geeft onderricht en het volk is
hongerig naar het woord van God. Het zou mooi zijn als wij dat ook
eens meemaakten: een volk dat hongerig is naar het woord van God,
hongerig naar het brood van God; ze dringen op hem aan zozeer dat
hij de wijk neemt in een boot en van daaruit het volk verder
onderricht geeft. Hij stapt in de boot van Simon, hij stapt in het
werkzame leven van Simon, zoals hij eerder in het privé-leven van
Simon is binnengegaan toen hij zijn schoonmoeder genas.
Na het onderricht
spreekt hij Simon aan. Vaar naar het diepe en gooi de netten uit.
‘Meester, baas’, zegt Simon, ‘de hele nacht ben ik al bezig geweest,
ik heb me kapot gewerkt en het heeft nul komma nul opgeleverd’.
Simon is de deskundige, hij heeft de ervaring van de afgelopen
nacht, het is zijn vak, moet hij nu de netten uitgooien, nu midden
op de dag, dat zal geen succes hebben weet Simon, maar ‘goed dan op
uw woord, omdat jij het zegt’. Hij laat zich, aarzelend weliswaar,
door Jezus betrekken, voelt zich aangetrokken en reageert daarmee
anders dan de inwoners van Nazaret zoals we vorige week hoorden, zij
bleven op afstand, verdreven Jezus uit hun stad. Simon luistert,
gehoorzaamt – dat betekent zijn naam: sjema Israël. De vangst is
buitengewoon en alles overtreffend groot. Simon Petrus valt voor
Jezus “ga weg van mij Heer want ik ben een zondig man”. Jezus is
Heer geworden, Kurios, niet meer baas, meester, maar Heer, en Simon
wordt Petrus, rots waarop gemeenschap/kerk gebouwd kan worden.
Besef
van onreinheid, van zondigheid is wat Jesaja en Petrus overkomt in
de ontmoeting met het visioen, in de ontmoeting met Jezus. En dat
besef doet hen de dingen anders zien, zichzelf anders zien, de
mensen om hen heen anders zien. Ze krijgen zicht op, inzicht in hoe
het bedoeld is, waar hun opdracht, hun bestemming ligt.
Waar Petrus viste
en de vissen in zijn net een zekere dood tegemoet gingen moet hij nu
mensen vangen niet om hen te doden, te kleineren, uit te buiten, nee
hij moet mensen bijeenbrengen, ze tot leven roepen, levend bij
elkaar brengen. Koinonia, kerk, de bijeengebrachte gemeenschap thuis
brengen bij de levende God.
En wie weet
misschien stapt Jezus vandaag bij ons in de gemeenschapsboot, wij
die al veertig jaar ervaring hebben met gemeenschap bouwen, gezwoegd
hebben, vermoeid zijn, al vele nachten rondgeploeterd van hoe
verder.
Soms
word je geroepen, luid en duidelijk en geef je antwoord. Soms ben je
betrokken geraakt en weet je niet zo goed waar en wanneer.
Zoals Dag
Hammerskjøld het zegt. “Ik weet niet wie – of wat – de
vraag stelde. Ik weet niet wanneer zij gesteld werd. Ik herinner me
niet dat ik antwoordde. Maar eens zei ik ja tegen iemand of iets.”
|