Foto: Evangelie volgens Lucas
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Lucas 4, 21 - 30

Door Tineke Renkema, gehouden op 28 januari 2007

 

Ontmaskerd worden en komen tot een nieuw verstaan

 

In de eerste lezing vertelt Jeremia over hoe hij zich geroepen weet door God.

Onontkoombaar, ook al verzet Jeremia zich door tegen te werpen dat hij het woord niet kan voeren, dat hij te jong is, te angstig, omdat hij een boodschap moet vertellen die het onrecht aan de kaak stelt. Bang omdat hij juist de gevestigde orde ermee moet confronteren dat het doen van onrecht niet zonder gevolgen zal blijven, want het zal de ondergang betekenen van Jeruzalem.

Hoe kan God een mens zo aanraken, zo’n opdracht geven? Hoe kan Jeremia hieraan gehoor geven als hij als persoon zo naar nabijheid verlangt en juist als profeet zo confronterend moet optreden en zich zo de woede op zijn hals zal halen?

Dit lijkt alleen mogelijk doordat de opdracht vergezeld gaat van de belofte van diezelfde God, dat Hij hem terzijde zal staan. De roeping van de profeet Jeremia gaat tezamen met de belofte door God in kracht te worden gesteld: als een vestingstad, een ijzeren zuil en een bronzen muur.

 

Ook Jezus is bij uitstek zo’n geroepen mens. Ook over hem hoorden wij hoe hij, in kracht gesteld door God als geliefde zoon, gesterkt door de Geest, aan zijn roeping gehoor geeft. En al direct aan het begin van zijn eerste optreden in de synagoge van Nazaret, zien wij hoezeer hij woede, verzet, weerstand ontmoet.

 

Is dit niet ongerijmd? Valt dit te begrijpen? Hij verkondigt immers een blijde boodschap!

Waarom worden mensen zo woedend als Jezus woorden die spreken van genezing en bevrijding, uit de traditie opneemt en tussen de toehoorders in legt? Het woord bevrijding dat niet anders vraagt dan dat je de mens naast je laat bestaan, die ander levensruimte laat en zorg draagt voor hem/haar, want hij/zij is zoals jij. Zo enkelvoudig is het.

De eerste reactie van de toehoorders is er dan ook één van verwondering, van bijval en wellicht ook enige trots: Hier spreekt toch maar één van hen. Maar hoe kán het dan dat deze reactie omslaat in zijn tegendeel?

 

Ik heb dat geprobeerd in te voelen:

Jezus laat zich niet verleiden, laat zich niet bekoren door deze verwondering die hij oproept. Hij weerstaat de verleiding van het ik dat op die manier gestreeld wordt.

En ik versta en herken: Als je zwicht voor de verleiding van de bewondering, word je in je eigenbelang opgesloten, onvrij, te afhankelijk van de erkenning van de ander. Dán verliest je ziel zijn bestemming. En God verliest de mens zoals hij hem heeft bestemd, want de persoon gaat dan voorop en het profeetschap gaat verloren.

Jezus hecht zich niet aan die bewondering van mensen. Hij schaart zich aan de zijde van de profeten. Want wat leert de geschiedenis? De profeet die het waagt aanspraak te maken, die het waagt zichzelf zó te geven, die profeet komt te dichtbij, want hij vraagt van zijn toehoorders, de woorden die hij spreekt ter harte te nemen en hij vertelt hun, dat zij er zélf voor moeten gaan staan. De door de Geest gedreven profeet kan rekenen op fel verzet, op grote weerstand, op woede.

De toehoorders in de synagoge laten zich niet ontmaskeren, laten zich niet roepen tot waartoe ze bestemd zijn, maar zij keren zich tegen hem. Zij laten zich niet roepen door iemand, die zij louter beschouwen als één van hen. Zij kunnen hem niet erkennen als staande in zijn roeping als gezant van God en zo gerechtigd om hen aan te spreken. Ze brengen hem naar de berg.

Maar ik heb ik me laten vertellen, dat Nazaret feitelijk helemaal niet gebouwd is op een berg en dat het hier dus gaat over de berg als plaats van openbaring, de mens Jezus als plaats van openbaring. Díe willen ze in de afgrond storten. Maar hij ging tussen hen door als een vestingstad, een ijzeren zuil en een bronzen muur.

 

Dankzij deze onverzettelijkheid is de mogelijkheid van de mens als plaats van Gods aanwezigheid niet meer weg te denken tot op de dag van vandaag.

 

En in het klein, in ons kleine verhaal, is het misschien ook herkenbaar. Als wij genesteld zijn, beschut en veilig, gaan wij aanspraken die onrust oproepen het liefst uit de weg. We gaan iemand, die vanuit zijn roeping ontmaskerend optreedt en ons herinnert aan onze opdracht het liefst uit de weg. We zullen iemand die spreekt vanuit zijn geroepen zijn, maar moeilijk her- en erkennen om zo aan het dwingend karakter van de aanspraak voorbij te kunnen.

Velen van ons hebben die verwondering gevoeld over die droom, dat visioen van leven met elkaar in zijn Naam, van leren leven in verbond. Vorige week nog, toen Leonie preekte en ons sprak over agapè, over liefde, woorden opgenomen uit de traditie in het hier en nu geplaatst, overkwam dat mij en wellicht ook jullie, die warmte, die verwondering, dat beamen van die woorden.

Maar ik herken ook de worsteling, die weerstand als de realiteit zich aandient en als ik me realiseer, hoezeer die woorden als liefde en verbond, woorden zijn vanuit Gód gesproken en zo onontkoombaar op mijzelf aanspraak maken en mijn inzet vragen.

 

De verwondering is er. Maar hoe verder: Het vraagt om het volle gezag te geven, om gehoor te geven aan een stem van iemand die in zijn roeping staat (en natuurlijk vraagt dat om onderscheiding), die mij wakker schudt, die mij ontmaskert, die mij in de beweging zet van verwondering naar inzet.

De vraag is: laten wij ons ontmaskeren en mooi maken. Want juist in het doen waartoe ieder van ons bestemd is, worden wij mooi en zullen wij onszelf opnieuw verstaan en leven bloot en onomwonden.