Foto: Evangelie volgens Lucas
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Lucas 4, 21 - 30
Door Nel van Cuijk

‘Woorden van genade vloeien uit zijn mond’

De twee mannen over wie we vandaag horen, zijn profeten, zij weten zich geroepen mensen.

Jeremia, hij is nog jong vertelt de Schrift ons in het gedeelte dat we niet gelezen hebben. ‘Maar’, zegt God, ‘je moet niet zeggen dat je te jong bent, zeg wat je ziet, verkondig je analyse van de situatie’. Wat is die situatie? Israël ligt als een klein landje tussen twee grootmachten ingeklemd en het beroept zich op, wentelt zich in het weten dat ze het uitverkoren volk zijn. ‘Nee’, zegt Jeremia, ‘zo werkt dat niet; uitverkoren volk zijn is je geroepen weten tot het op je nemen van een ernstige verantwoordelijkheid. Het is uitblinken in gerechtigheid, waarheid, vrede, liefde voor de naaste en voor de vreemdeling. Dat is uitverkoren volk zijn’.

En niet wat zij nu aan het doen zijn, de kop in het zand steken en denken het zal wel overwaaien, of vermetel denken dat je door bondgenoten te zoeken bij andere kleine landen, die grootmachten wel de baas zult kunnen. Zie onder ogen, zegt Jeremia, dat we ingelijfd zullen worden en dat in die situatie van onvrijheid, van ballingschap, wij als uitverkoren volk onze roeping moeten leven. Juist dan, juist nu als er alle reden is om te twijfelen aan je roeping, juist dan ben je, móet je bij uitstek laten zien dat je het uitverkoren volk bent. Moet je dan collaboreren met de vijand? Nee, maar je moet zoals eens Mandela of zoals eens een Gandhi zoals we vrijdagavond hoorden, op blijven komen voor het recht van mensen – welke kleur ze ook hebben. Onverzettelijk en geweldloos, maar zonder haat. Respectvol naar degene die je gevangen hebben gezet, en respect afdwingend, als een ijzeren zuil, als een koperen muur, voor het volk dat je vertegenwoordigt, voor je eigen roeping om mens van God te zijn. Jeremia moet zijn boodschap zeggen vooreerst naar de machtigen van zijn tijd en we weten heel goed dat de machtigen zich de macht niet laten ontnemen. Dat is de werkelijkheid waarin Jeremia staat. 

En dan Jezus. Vorige week hoorden we hoe hij in de kracht van de Geest na zijn doop en beproeving naar Galilea terugkeert. En dat hij naar gewoonte op sabbat naar de synagoge gaat en er het woord neemt. Of beter gezegd het woord krijgt. En er gaat als Jezus het woord neemt een siddering door de synagoge en een golf van troost en bemoediging. En nu gaat dan gebeuren, nu gebeurt het dat mensen vrij worden, zien en horen en een visie op leven krijgen waardoor het weer de moeite waard is om te leven en er alles op in te zetten. Dat is iets wat iedereen wil horen en waar iedereen van harte mee instemt. ‘Woorden van genade vloeien uit zijn mond’, zo schrijft Lucas en zo beleven de mensen dat. Woorden van genade, ja. 

En dan het volk, zij toen en wij nu. Dat Jeremia die de machtigen aanklaagt, vervolgd wordt, dat kun je nog wel aannemen. Maar Jezus richt zich in eerste instantie tot gewone mensen, gewoon die mensen die wekelijks de synagoge bezoeken, wekelijks naar de kerk gaan. Ze zijn enthousiast over de woorden die Jezus spreekt, trots misschien wel: het is er toch maar een van ons, een die we kennen!

Maar eens te meer blijkt dat preken voor eigen parochie een riskante zaak is. Immers je wordt gekend en je bent bekend en ze weten waar je vandaan komt en ze kennen je in het mooie en in het lelijke. Wat gebeurt er toch dat het enthousiasme, het gevoel van genade dat je overkomt, zo grondig omslaat? Naar Lucas luisterend moet je zeggen, dat Jezus het zelf oproept dat de instemming in ziedende woede verandert. Uiteindelijk lijkt Jezus te zeggen: ‘Pikken jullie het niet? Altijd en overal worden profeten weggewerkt, monddood gemaakt’.

Want een profeet zal altijd dingen zeggen die niet lekker liggen; een profeet zal mij en jou vragen om verandering, om de gevestigde orde om te keren. Ook die gewone mensen willen dat niet; ze willen wel dat de omgeving verandert, dat andere mensen veranderen, maar dat jij, dat ik zou moeten veranderen, nee, dat past ons vaak niet. Er is in de synagoge niemand die opstaat en zegt: ‘Ja, ik ga met je mee, ik ga meewerken aan die geest van vrijheid, van adem, van omzien naar elkaar’. Nee, ze zitten en ze wachten en als er verder niets gebeurt, als Jezus die wonderen niet doet, die verandering als een donderslag bij heldere hemel niet bewerkt, de adem niet geeft, dan wordt hij uitgespuugd, over de kling gejaagd. Dat is zo ongeveer wat Jezus vandaag overkomt in zijn geboorteplaats.

Misschien zingt hij, als hij zich een weg door de menigte baant: ‘Die ik mijn Heer noem, staat mij voor ogen; ik wankel niet, zijn hand houdt mij vast’ (ps. 16).