|
|
Preken: Lucas 15, 1 - 32
Door Tineke Renkema, gehouden op 16 september
2007
Toen kwam hij tot zichzelf
We
hoorden het: de God van Israël is woedend. Zijn woede geldt het volk
in de woestijn. Wat is er dan gebeurd?
Mozes
is op de berg in gesprek met God, terwijl het volk aan de voet van
de berg wacht en wacht en wacht. Ze wachten al zo lang en er gebeurt
niets, grote stilte, grote leegte. En misschien kent u dit in uw
eigen leven: in al dat wachten, in heel die leegte, waarin niets
oplicht, niets oplicht van God en zijn belofte, wordt het vertrouwen
sterk op de proef gesteld. De ervaring, die we ooit hadden van
bevrijding, van aangeraakt zijn door de liefde raakt ver naar de
achtergrond.
Wachten, wachten en wachten in de leegte. De
behoefte aan iets tastbaars, iets wat zichtbaar is, wordt steeds
sterker. En dan klinkt de stem uit het volk: ‘Maak een god voor ons,
die voor ons uit kan gaan, die deze ervaring van leegte oplost’. En
Aäron geeft gehoor. Een stierenbeeld, gesmeed door henzelf, gemaakt
van hun eigen goud. En zij aanbidden hun eigen maaksel: afgoderij.
Het volk is beland in het land van het ego. Er is geen ik en Gij,
geen mogelijkheid van relatie, van verbond en zo raakt een volk
verloren. Daar gebeurt Egypte opnieuw. Daar gebeurt een God, die in
woede ontsteekt, omdat hij dat niet kan aanzien: de mens als slaaf,
opgesloten in zijn ik en dat van een ander.
En
dan is er die mens Mozes, die herder van zijn volk: ‘Oh God, trek uw
barmhartigheid over uw volk toch niet terug!’ Mozes waagt zich aan
de ontmoeting, aan het Verbond, belangeloos. En waar een mens dat
doet, dáár geeft God zich gewonnen en houdt de belofte stand, trouw
aan Zijn Naam: ‘Ik zal er zijn, in mensen, God zal ik zijn.’
Zo
gebeurde het toen in de oude verhalen. Zo gaat het verder in wat
Jezus ons vertelt, vandaag door middel van een drietal parabels.
Er is
heel wat volk gekomen om naar Jezus te luisteren, al dan niet met
een open of gesloten houding. En hele groep, zoals wij hier nu
zitten, met vele gezichten: farizeeërs, zondaars, tollenaars en
leerlingen.
In
alle drie gelijkenissen, die Jezus vertelt, die van het verdwaalde
schaap, de verloren drachme en de verloren zoon, gaat het over iets
of iemand die verloren is. Én het gaat over iemand die het verlorene
zo van waarde vindt, dat hij gaat zoeken.
Het
verdwalen, het verloren zijn behoort onontkoombaar tot onze
menselijke realiteit. Ieder van ons komt het tegen. En: een happy
end is niet een garantie. Het gevonden worden is allesbehalve
vanzelfsprekend. Het hangt er ook van af of iemand zich wil laten
vinden.
In de
parabel van de vader en de twee zonen zien we, hoe ieder van de
drie, op heel eigen wijze, verloren raakt.
De
jongste zoon maakt zich geheel en al los van de voor hem kennelijk
benauwende verbinding en zijn leven wordt tot een losbandig leven,
zonder banden, aan zichzelf genoeg, totdat hij uiteindelijk bij
niemand meer terecht kan.
De oudste líjkt uiterlijk wel in verbinding te
blijven, gehoorzaam, plichtsgetrouw, maar houdt de ander ver van
zich door zijn vooroordelen, en heeft geen ruimte doordat hij
innerlijk verteerd wordt door zijn woede, rancune, bitterheid.
De vader komt ervoor te staan dat hij, hoe groot
zijn liefde misschien ook is, dat hij niet bij machte is in relatie
te blijven met zijn zonen, en dat vraagt trouwens ook een
wederzijdsheid, waarvan hij afhankelijk is. En zo staat híj in de
leegte.
Zonde
is het, zonde, omdat de mens bestemd is om te leven. En leven is: In
verbinding staan, Gij en ik, jij en ik.
Verloren zijn, op dood spoor zijn beland. Is er dan een weg? En hoe
gaat dan die weg? Het is voor mij essentieel om te weten wat ik kan
doen, moet doen als de verlorenheid mij overvalt. Ik kwam bij dat
korte zinnetje met vier woorden precies midden in de gelijkenis: ‘En
hij kwam tot zichzelf’. Wat betekent dat?
Het
begin van de weg tekent zich af, doordat de jongste zoon de waarheid
over zichzelf onder ogen durft zien. Hij vindt zichzelf terug als
iemand die omkomt van de honger, geďsoleerd, beschaamd, schuldig,
onwaardig. Hij erkent dat hij verloren is geraakt.
De waarheid onder ogen zien, maar dan? Hoe gaat
de weg dán verder?
Wachten, wachten en wachten, niet passief, maar blijven luisteren,
net zolang tot zich innerlijk iets beweegt, iets wordt aangeraakt,
iets van leven zich aandient, van binnenuit, van buitenaf.
We
zien dat de jongste zoon in dat wachten uiteindelijk in zichzelf de
naam van de vader vindt, de oorsprong van zijn leven en dat dát zijn
verlangen wekt.
De volgende stap is dan misschien wel het
moeilijkste: gehoor geven aan dit verlangen.Want mijn verlangen
brengt mij altijd bij die ander en dat gaat altijd gepaard met angst
en beven en de grote vraag of die ander mij zal aanvaarden: naakt,
verloren als ik ben. We zien de jongste zoon er dan ook mee
worstelen. Naar de ander gaan, vraagt dat ik mezelf toon in heel
mijn kwetsbaarheid, in heel mijn schamelheid.
Mezelf openvouwen noemde ik dat in de retraite van de afgelopen
zomer.
En dan is er die vader, die vader wil zijn, en in
zijn leegte ópen is gekomen. Hij is blijven wachten, blijven
uitzien. Zo is híj de weg gegaan. Hij kán nu ook Vader zijn, omdat
de zoon verlangt zoon te zijn. En hij bekleedt hem met de mantel van
zijn liefde. Daar spiegelt zich het beeld van God: Barmhartige
vader, genadige vader, eindeloos geduldige liefde.
De
laatste stap op de weg naar het leven is die mantel van liefde ook
écht te ontvangen. En dan is er de vreugde, grote vreugde. Wie
verloren was, werd gevonden.
Gevonden zijn, aanvaard zijn als zoon, als dochter: Dan komt er
ruimte voor elke andere relatie, voor partnerschap, vriendschap,
broer en zuster zijn. Dan verlaten wij Egypte en betreden het land
van belofte. Dan is er vreugde in de hemel. Laten we het vieren,
zoals we hier zitten, als gebrekkige vaders en moeders, als oudste
en jongste zonen en dochters, in het besef dat het Jezus zelf is die
met ons wil eten en drinken en ons de mantel omslaat van zijn
liefde.
|