|
|
Preken: Lucas 14, 25 - 33
Door Koos van Etten, gehouden op 5
september 2004
Leerling-zijn
Jezus is op weg
naar Jeruzalem, een droom achterna: dat Israël weer hersteld wordt
tot een volk van God en verzameld tot de 12 stammen. Wat Hem
bezielt, drijft Hem voort. En vele mensen trekken met Hem mee, staat
er. Waarom? Omdat zij zijn boodschap hebben gehoord die blij maakt,
een wijze van leven die aantrekkelijk is. Zoals we vorige week
hoorden, was zijn boodschap: we zijn allemaal uitgenodigd voor het
feest, niemand uitgezonderd, allemaal: armen, blinden, gebrekkigen…En
zoals we hierna nog zullen horen: de Vader is barmhartig voor zijn
zonen, ook al loopt iemand helemaal verloren.
Maar waarom staan er dan hier in dit stukje die zware woorden: “Wie
naar Mij wil toekomen en zijn vader en moeder, zijn vrouw en
kinderen niet haat…”. In de woorden die we zojuist hoorden, is het
woord ‘haten’ vertaald door ‘verfoeien’. Dat mag best, maar het
staat er wel erg hard: haten. Hoe is dat mogelijk? Of die andere
woorden: ”Wie zijn kruis niet draagt en Mij volgt, kan mijn leerling
niet zijn”. Wat bedoelt Jezus daarmee? Dit is toch geen blijde
boodschap meer? Die woorden brengen een schokeffect teweeg en
waarschijnlijk zijn ze ook zo door Jezus bedoeld. Maar het vraagt
wel van ons om ze niet absoluut te verstaan en er goed naar te
luisteren. Want waar gaat het om? Om het leerling-zijn.
In het evangelie
wordt ons verteld over een specifieke groep mannen en vrouwen, die
Jezus gedragen hebben in zijn leven, die Hem hebben ondersteund en
met Hem zijn meegegaan op zijn weg, tot in Jeruzalem, tot in de Hof
van Olijven. Van die specifieke groep mensen wordt verteld, dat zij
alles achtergelaten hebben om Jezus te volgen. Kijk maar naar Petrus
en Andreas, de broers, en Jakobus en Johannes, die andere broers:
van hen wordt gezegd dat zij hun boten aan land brachten, alles
achterlieten en Jezus volgden. Als broers verlieten zij hun familie
en bouwden een nieuwe familieband op met anderen rond Jezus. Zo ook
Matteüs: hij stond op van zijn tolkantoor, liet alles achter en ging
Jezus achterna. Alleen de rijke jongeling verstond de roep niet om
alles te verkopen waardoor hij een schat in de hemel zou bezitten:
hij ging verdrietig heen.
Uit eigen ervaring binnen onze gemeenschap hebben we geleerd, dat
het niet genoeg is achter iemand aan te gaan en hem of haar
letterlijk te volgen. We zijn door onze voorgangers begeesterd
geraakt, maar we hebben de laatste jaren gezien dat het blind volgen
of de totale beschikbaarheid ook averechts kan werken. Het kan zich
dan tegen je keren en je wilt dan wel eens voor jezelf opkomen. We
hebben ook geleerd te zien, dat christelijk leven concreet gemaakt
kan worden op allerlei plekken in onze maatschappij; dat je in
verschillende vormen kunt behoren tot een gemeenschap in naam van
Jezus; dat iedereen er in wezen bij kan horen, wie hij of zij ook
is.
En toch daagt dit evangelie ons uit om de roep te verstaan die Jezus
geeft. Er zijn mensen onder ons die de roep verstaan hébben door
alles achter zich te laten en Hem te volgen, mensen die de weg van
de radicale liefde zijn gevolgd en hun eerste aandacht geven aan
deze Zaak. Er zijn ook mensen die daar nu vorm aan willen geven.
Maar dat roept een spanning op. Ik ken die spanning uit eigen
ervaring: een tijdlang dacht ik, dat ik niet hoorde bij dat selecte
gezelschap van de twaalf, van die groep intimi rond Jezus, totdat op
een dag de woorden tot me doordrongen: ‘Jij bent ook één van de
twaalf’ en ik de consequenties ging verstaan van deze weg achter
Jezus aan. Trouwens, nog niet zo lang geleden hoorde ik opnieuw een
roep: ‘Blijf nu niet op je lauweren rusten, maar kom achter Mij
aan’. Vanuit die roep zal ik zelf vorm moeten geven binnen deze
gemeenschap wat ik verstaan heb; dat kan niemand voor mij invullen
of van mij overnemen. Maar telkens klinkt de roep weer, om nu en
voor de toekomst daaraan vorm te geven en de weg achter Jezus aan te
gaan. Hopelijk zijn er een aantal mensen die deze weg willen volgen.
Het is overigens wel begrijpelijk, dat deze levenswijze een
innerlijke geestkracht vraagt, een wijsheid niet van mensen;
daarover spreekt de eerste lezing. Het is Salomo die hier spreekt.
Vlak hiervóór heeft hij tot God gebeden en gevraagd om wijsheid: een
praktische levenswijsheid waardoor je kunt onderscheiden wat
wezenlijk is. Zo’n wijsheid hebben ook wij nodig om de roep te
kunnen verstaan en de weg van Jezus ten einde te volgen. Bidden we
om die wijsheid, die geestkracht.
|