|
|
Preken: Lucas 14, 25 - 33
Door Niek Werkhoven
Als het zo moet, hoeft het niet van mij
Om met elkaar zó
naar deze woorden van het evangelie te luisteren dat er iets
oplicht, iets opspringt tot steun en bemoediging. En dat als we
zoiets horen als vader en moeder verfoeien, het ‘haten’ van je vrouw
en kinderen en je eigen leven!
Een eerste reactie, laten we eerlijk zijn, is dan toch wel: als het
zo moet, hoeft het van mij niet. En misschien móét dit onze reactie
ook wel zijn, willen we deze woorden geen geweld aandoen door ze te
verzachten en te verknippen tot een maat die ons past en uitkomt..
Maar dan… dan gaat het om een luisteren naar ‘de tweede stem’ zoals
dat van Abraham verteld wordt. Hij hoorde, nadat hij jaren had
moeten wachten tot hij een zoon als erfgenaam had gekregen, "ga, en
draag hem als een brandoffer op". Het zal je gezegd worden! En wat
doet Abraham? Hij laat het woord overeind, maar neemt wel alle tijd
door het niet hals over kop uit te voeren. De tijd nemen om de
achterkant van de woorden te leren ontdekken. Wat wordt er er
eigenlijk van me gevraagd?
Zo ook dit evangelie. De woorden van haten en verfoeien overeind
houden, en daarmee voorbij onze eerste reactie proberen te komen.
Want het is toch zonneklaar dat het leerling zijn van Jezus niet
begint als je de naaste naaste maar haat! Toen Petrus bij Jezus kwam
met zijn zieke schoonmoeder kreeg hij ook niet te horen: laat maar,
er zijn belangrijkere dingen dan lieve zieke mensen.
Grote drommen mensen trokken met Jezus mee, vertelt Lucas. Toen,
door alle eeuwen heen tot op de dag van vandaag, al worden die
drommen de laatste decennia steeds kleiner. Jezus, en na Hem de
kerk, heeft daar niets op tegen dat er zo meegetrokken wordt in de
hoop op genezing, troost, verbetering van het lot, kortom om steun
en bemoediging voor de dagelijkse dag. Maar dan – en dat gebeurt en
kan nog altijd gebeuren – Jezus keert zich om, draait zich om naar
die menigte mensen met die honger naar geluk, naar vrede, eenheid en
verzoening. Als iemand naar Mij toekomt… om met Mij en door Mij te
gaan zien en voelen wat de mens ten diepste gelukkig kan maken, kan
helen en verzoenen… Dat ligt zo maar niet in het verlengde van het
natuurlijke het voor ons mensen, gewone en vanzelfsprekende.
Het begint dus niet met afkeer of haat, God beware ons! Het begint
bij het verlangen naar wat leven geeft, bevrediging, uitzicht op een
vervulling van wat diep in ons hart aan verlangen leeft.
Daarbij aanknopen, de weg vinden vanuit het zich onvervuld ervaren.
Geen weg die opengaat langs diepzinnige gedachten of grootse
idealen. Wie bij Mij komt: een concreet mens. Zoals toen is dat ook
vandaag op de dag nooit zonneklaar. De evangelieverhalen verbloemen
dat niet. Ook Jezus was een mens waar vraagtekens bij werden
geplaatst: door religieuze mensen werd Hij, op zijn zachts gezegd,
als een buitenbeetje beschouwd, de politieke leiders zagen in Hem
een gevaarlijke klant, en niet ten onrechte, want dat was Hij, zijn
familie was bezorgd dat Hij doorgeslagen was, wat getikt.
Dat heeft Jezus ervaren, dat was zijn leven en zijn levenslot dat
Hem tenslotte een gruwelijke dood liet sterven.
En er waren veel van dit soort mensen aan Hem vooraf gegaan, hoe zou
Hij het anders volgehouden kunnen hebben. Een Abraham, een Mozes,
Jeremia, Jesaja en ga zo maar door. En na Jezus gaat het door. We
lazen hier het de laatste tijd over die enorme reizen van Paulus.
Hij kon het niet laten om tot in alle hoeken van de toen bekende
wereld te trekken met een boodschap van hoop en leven. En hij zelf,
hier wordt hij eruit gegooid, daar gelyncht en in de gevangenis
gegooid. En toch hoorden we hem zeggen: "om de hoop van Israël draag
ik deze boeien"! Wat bezielt zulke mensen? Wat houden zij ons voor
als geluk?
Maar genoeg – we gaan aan tafel en breken brood en drinken de beker
om Hem te gedenken die Leven geeft omdat Hij leven is. En we doen
dat vandaag met Dick in ons midden die al jaren laat zien dat je
heel goed jezuïet kan zijn zonder al hoogleraar achter een katheder
te staan. We breken brood en drinken wijn om te verkondigen dat we
leven vinden, kunnen vinden of al gevonden hebben in een God die de
wereld liefheeft, ook onze wereld, en de mens en mensheid niet ten
onder wil laten gaan in ellende, die er wel degelijk is.
En deze God nodigt, roept en vraagt om leven te zijn, te doen op de
plaats waar je staat, waardoor chaos en ellende niet het laatste
woord zijn.
Dat we hierom met elkaar bidden, dankbaar dit leven vieren moge ons
en ieder gegeven worden. Zo moge het zijn.
|