|
|
Preken: Lucas 14, 1 + 7 - 14
Door Koos van Etten, gehouden op 2 september 2007
Gast of gastheer zijn door eenvoud van hart
Gisteren hebben we uitgebreid feest gevierd en nu worden we door de
lezingen weer uitgenodigd voor een feest. Is dat geen mosterd na de
maaltijd? Of kunnen we de lezingen zien als een soort bezinning
achteraf, als een reflectie op wat er gisteren gebeurde? Dat laatste
wil ik doen d.w.z. vanuit de stilte luisteren naar de woorden uit
het evangelie.
Jezus is uitgenodigd door één van der Farizeeën om op sabbat bij hem
thuis brood te komen eten. Het is een
eenvoudige maaltijd met een paar rabbi’s, stel ik me voor, met hun
leerlingen en misschien nog enkele andere gasten. Het is op sabbat
d.w.z. de maaltijd is bedoeld om de dag te heiligen, door in de
juiste verhouding met God en de naaste te komen. Maar wat gebeurt er
in feite? Jezus ziet een paar situaties van mensen waaraan hij zich
stoort. Hij begint hen niet rechtstreeks verwijten te maken, maar
roept hen op tot een andere innerlijke houding. Hij doet dat door
een parabel te vertellen die een richtingwijzer is voor héél het
leven.
Wat mij daarin opvalt, is dat wij uitgenodigd
zijn: voor een feest, voor een bruiloft zelfs. Vijfmaal komt dat
woord ‘uitnodigen’ in het evangelie voor. God is blijkbaar op zoek
naar mensen, met wie Hij zijn vreugde wil delen. De parabel gaat
over een bruiloft: het beeld dat in de Schrift steeds
gebruikt wordt om het verbond aan te geven tussen God en zijn volk.
Voor die bruiloft, voor dat feest is iedereen uitgenodigd, niemand
uitgezonderd. Dat op zich is al goed om te horen en tot je te laten
doordringen. Of zoals we het op andere plaatsen horen: je bent
geliefd!
Dat
is één aspect. Maar het andere is dat er ook iets van je gevraagd
wordt. Wat is dat dan?
In het eerste verhaal richt Jezus zich tot de
gasten. Hij zegt: ‘Ga niet op de ereplaats zitten, naast de
gastheer, als je daar niet thuishoort.’ Wij zouden die opmerking
moralistisch kunnen verstaan, in de trant van: ‘O, dat mag dus niet!
Dan ga ik maar op de laatste plaats zitten.’ Maar dat is valse
bescheidenheid die evenmin verder brengt. Nee, hij zegt zoiets als:
Ken je plaats of als je niet goed zit, kom dan in de juiste
verhouding! Volgens mij kan dat alleen maar, wanneer je er ten
diepste van overtuigd bent, dat je het leven gekregen hebt. Je hebt
nergens recht op, maar je weet je gast in dit leven d.w.z.
afhankelijk van God, de grote Gastheer van het leven, en afhankelijk
van elkaar.
In de lezingen wordt het woord ‘nederig’ gebruikt
tegenover hoogmoed of zich verheffen. Wie zich verheft, zal
vernederd worden en wie zich vernedert, zal verheven worden. Het
woord ‘nederig’ is de vertaling van het Hebreeuwse woord ‘anawim’,
zoals in de zaligsprekingen gebruikt wordt. In vertaling luiden die:
zalig de armen, zalig de zachtmoedigen. Dat betekent niet:
alles zomaar over je kant laten gaan als een slachtoffer; nee, het
is rechteloos leven en toch gezagvol zijn. Je plaats weten. Het
roept bij mij het woord ‘eenvoud van hart’ op of het oude woord
‘deemoed’.
In het tweede gedeelte van het evangelie spreekt
Jezus tot de gastheer of gastvrouw. Hij zegt: ‘Als je een feest
geeft, roep dan niet je vrienden, familie of rijke buren bij elkaar,
maar nodig liever armen uit, gebrekkigen, kreupelen, blinden. Want
zij kunnen niets teruggeven.’ Ik dacht: wie doet er nu zoiets in
onze tijd? En als iemand zo gek is, doet hij dat dan om zijn gulheid
te tonen of om naam te maken? Nee, dat zou uiterlijke schijn zijn.
Wie doet het dan wel? Ik dacht: het moeten mensen zijn die zélf gast
durven zijn, zélf op de grond staan van zich afhankelijk te weten
van het leven, zélf eenvoudig van hart. Ik denk aan Abbé Pierre die
begonnen is met Emmaüs. Ik denk ook aan Moeder Teresa. Ik denk ook
mevrouw Klomp, aan Nada, die hier begonnen is samen te leven en haar
deur open te zetten voor anderen. Tegen ons, die bij haar zijn
binnengekomen, heeft zij dikwijls gezegd: ‘Wij zijn de armen,
gebrekkigen, kreupelen en blinden van het evangelie’. Wij
vonden het helemaal niet fijn om dat te horen. Maar gaandeweg heb ik
verstaan, dat wij die mensen zijn die zich afhankelijk weten van
anderen. Als wij dat beseffen, kunnen wij op onze beurt ook weer de
deur openzetten voor nieuwe gasten of een feest organiseren, zoals
we gisteren deden. Dat is niet om naam te maken, maar om anderen te
laten delen in wat ons is overkomen. Die eenvoud van hart is de
eigenlijke bron van inspiratie om zoiets te doen.
Tot slot nog dit: wij zijn uitgenodigd voor de
eucharistische maaltijd, door Jezus die onze Gastheer wil zijn. Hij
is ons voorgegaan om tafelgemeenschap te stichten met allen en
iedereen. Hij is het die ons verbindt met God en met elkaar.
Mogen we dankbaar zijn voor alles wat gekregen hebben en ons
toevertrouwen aan Hem, voor de toekomst.
|