Foto: Evangelie volgens Lucas
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Lucas 12, 32 - 48

Door Nel van Cuijk, gehouden op 12 augustus 2007

 

Voorbij de angst kiezen voor mens-zijn in Gods naam

 

We hebben zojuist het tweede deel gehoord van een lange redevoering van Jezus die heel hoofdstuk 12 omvat en onderbroken wordt doordat er twee keer iemand een vraag stelt.

De eerste vraag wordt gesteld door zomaar iemand, zegt Lucas en gaat over het verdelen van een erfenis; de man in kwestie vraagt aan Jezus om zijn broer aan te spreken. Het antwoord van Jezus luidt: ‘Daar ben ik niet voor aangesteld’.

De tweede vragensteller is Petrus. Hij vraagt: ‘Meester, voor wie is deze les, deze gelijkenis bedoeld, voor ons of voor iedereen?’

Over het antwoord van Jezus op deze vraag straks meer.

Mijn eerste vraag is tegen wie heeft Jezus of beter gezegd Lucas het in deze redevoering, wie heeft hij voor ogen? Waarschijnlijk een kleine bange kudde, want anders hoef je niet te zeggen dat ze niet bang hoeven zijn, een klein groepje leerlingen en volgelingen van Jezus die ervaren hebben dat die boodschap van hun meester helemaal niet zo’n grote weerklank heeft. De impact van Jezus’ leven is tanende, de gemeente van Lucas zit in het nauw, het Rijk Gods laat alsmaar op zich wachten, de woorden van Jezus, zijn uitstraling, zijn wijze van met God omgaan, er is nauwelijks nog iets van over. Ze voelen zich aan hun lot overgelaten. En het woord van Jezus/Lucas is tot deze bevreesde kleine kudde gericht . En dit ‘wees niet bevreesd’ loopt als een rode draad door dit hele hoofdstuk. Want als u het straks zou lezen, dan leest u: wees niet bevreesd voor gezagsdragers, ben niet bang voor hen als ze tot de kerk behoren en niet als ze wereldse macht uitoefenen.

Wees niet bezorgd, wees niet bang om wat je zult eten of wat je aan zult trekken. U kent het wel, die overbekende zinnen dat God toch immers voor de vogels enz. zorgt. De intense aansporing tot die kleine kudde dat zij toch eerst en vooral gericht moet blijven op dat Rijk Gods.

 

Hoe ziet dat rijk Gods er dan uit? En ik lees maar weer in dit 12de hoofdstuk en dan zie ik, als ik het mijn eigen woorden mag weergeven: daar zijn geen mensen die hun geld of voorraden zitten op te potten, daar is een vorm van onbezorgde omgang met elkaar, die kleine angstige kudde blijft ondanks alles oog houden voor wat de ander nodig heeft, zij delen wat ze hebben en niet hebben. In dat rijk Gods bezwijken mensen niet voor de verleiding om als het leven kwetsbaar en hard wordt, alleen maar voor zichzelf te kiezen. Zo van ieder voor zich en God voor ons allen. Want zelfs in de meest barre omstandigheden en wie van ons kent niet de verhalen uit de concentratiekampen, zijn er blijkbaar mensen die het beetje eten wat zij konden bemachtigen bleven delen, waren er mensen die menselijk bleven, die hun eigen waardigheid en de waardigheid van mensen niet verkochten voor wat dan ook. Het heeft hen niet uit de gaskamers gered, nee, en toch zij hebben een gezicht gegeven aan menselijke waardigheid. Dat rijk Gods zou ik zeggen kreeg gezicht in die barakken. Het rijk Gods krijgt overal gezicht waar gekozen wordt voor wat leven waardevol maakt.

De kudde, de gemeente, de werkvloer, overal waar mensen met elkaar en op elkaar zijn aangewezen als daar een knecht, een manager, een directeur, een priester, een bisschop een dominee, een kerngroep is die weet, diep van binnen weet dat hij/zij een rentmeester is, dat hij/zij de eigenaar niet is, dat hij/zij een aangestelde is, niet op grond van macht en gezag maar op grond van trouw doen, trouw blijven doen wat je ziet dat nodig is. Die knecht die wakker en waakzaam is voor menselijkheid en medemenselijkheid – human resource management noemen ze dat geloof ik – die knecht zal delen in de winst. Hij zal door de Heer bediend worden, met de Heer aan tafel gaan. Hij, zij geeft gestalte aan het rijk Gods.

De vraag van Petrus, de vraag van de leider van de gemeente, luidde: voor wie is deze les, deze gelijkenis bedoeld, voor ons of voor allen? Die vraag wordt ook weer met een gelijkenis beantwoord. Want wat doe je als mens, hoe ga je met je medemensen om. Speel je de baas als je aangesteld bent en doe je dat door macht uit te oefenen, door corruptie en uitbuiting, laat je je verleiden tot een houding van het zal mijn tijd wel duren, want mijn heer blijft nog wel een tijdje weg, ik profiteer maar even van deze situatie? Uit dit antwoord van Jezus/Lucas trek ik de conclusie dat ik / jij het zelf uitmaakt of je tot de aangestelden behoort, tot hen die teken willen zijn van Gods verbond en gestalte willen geven aan het Rijk Gods. Jij, ik, wij nemen een besluit, het besluit om zo te leven dat ik niet de heer en meester ben, mijn/onze wijze van handelen en omgaan met anderen is ten diepste een keuze om die anderen te dienen. De oproep en de troost van vandaag is in jouw gemeente, op jouw werkvloer, op de plek waar jij de aangestelde bent zichtbaar te laten zijn dat jij voor de ander zo goed wilt zijn als voor jezelf.