Foto: Evangelie volgens Lucas
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Lucas 12, 13 - 21
Door Koos van Etten

Ontmoeting

De lezingen van vandaag zijn op het eerste gezicht niet zo inspirerend. In de eerste lezing horen we Prediker zeggen: Alles is lucht; wat heeft een mens aan zijn gezwoeg en getob? Zijn leven is één lijdensweg, zijn werk een bron van ellende. Zo’n woord is niet opwekkend om weer een volle werkweek te beginnen En in het evangelie horen we God zeggen tegen de rijke man die plannen zat te maken om te genieten van zijn rijkdom: Dwaas, nog deze nacht komt men je leven van je opeisen, en al die voorzieningen die je getroffen hebt, voor wie zijn die dan? Het lijken sombere opmerkingen, die niet zo getuigen van ‘blijde boodschap’, van hoop. Wat willen deze lezingen ons toch zeggen?

Als ik kijk naar het evangelie, dan begint het met een vraag van iemand uit het volk: Rabbi, zeg aan mijn broeder dat hij met mij de erfenis deelt. Die vraag kan terecht zijn: de vader van de broers is gestorven, en nu moet de inboedel verdeeld worden. Zo’n vraag werd in die tijd ook voorgelegd aan een rabbi. Maar Jezus gaat er niet direct op in, of als je wilt, op een diepere laag: wacht je voor alle hebzucht, want geen enkel bezit kan je leven veilig stellen. Waarom zegt Hij dit? Omdat Hij tegen rijkdom is? Nee, maar Hij is zelf onderweg naar Jeruzalem, Hij is een gedrevene en voelt intuïtief aan, wat wezenlijk is en wat bijzaak. Hij voelt in de vraag van die man een verkeerde gedrevenheid, een verkeerde hartstocht: hebzucht. Daarom reageert Hij zo tegen die man.
Het is een echte ontmoeting: tussen Jezus en die man. Een ontmoeting die best lastig is, want zo’n gedrevenheid schudt je wakker, zet je in beweging, maakt dat je anders gaat denken. En ook voor Jezus is zo’n leven lastig in die zin dat Hij niets in handen heeft, geen veiligheid, geen zekerheid, en toch weet Hij innerlijk dat Hij die weg moet gaan. Datzelfde gebeurt ook in ontmoetingen tussen ons: als er iemand opkomt voor een goede zaak en die niet loslaat, voel je: er moet iets. Ik kan dit niet zomaar laten liggen! Of als iemand een keuze maakt voor zo’n leven, zonder zekerheid, zonder veiligheid, dan voel je de kwetsbaarheid en maakt het je stil.
Hetzelfde zegt Jezus nog eens op een andere manier, nu aan alle mensen om Hem heen, door een gelijkenis. Daardoor wil Hij ons wakker schudden: mens, waar ben je mee bezig? Het mij valt op, dat die rijke man helemaal in zichzelf gekeerd is: almaar ‘ik’, ‘ik’ zegt. Hij heeft véél bezittingen, maar is erg eenzaam. Met wie wil hij die rijkdom delen? Zo te horen met niemand. Zijn rijkdom bouwt niet op tot broederschap, zoals de erfenis van zojuist eerder een scheiding aanbrengt tussen de broers dan broederschap opbouwt. Toch is dat de grondtrek die telkens terugkomt in de Schrift: broederschap, zusterschap. Hoe kunnen we zo met het materiële, ja met ons leven omgaan dat het leidt tot opbouw en niet tot afbraak tussen mensen? Dat is hele weg!

Kijken we nu naar Prediker. Die man is niet iemand die al bij voorbaat waarschuwt tegen de schijn van het leven, maar iemand die veel heeft geëxperimenteerd en tot de slotsom komt: er is niets nieuws onder de zon, alles is betrekkelijk. Waarvoor zou je je druk maken? Ook al gaat het je goed, er komt toch een moment dat je sterft en dan moet je alles aan je opvolger doorgeven. Wat hij doet, is dus het leven terugbrengen tot het wezenlijke, tot waar het om gaat. Dat gebeurt ook in de gelijkenis van de rijke man. Beide lezingen willen ons bij dat punt brengen, waarop we ten diepste bij onszelf zijn en meest wezenlijk voor God. Het is het stille punt, waar we in de juiste verhouding zijn met God en de mens naast ons. En dan gaat Prediker verder met te zeggen: Het beste voor de mens is nog: eten en drinken en genieten van hij met veel zo-even heeft bereikt.
Ik dacht: wonderlijk zo’n zin en toch raakt aan wat wij in deze tijd ervaren, in deze van vakantie. We zeggen het naar elkaar; op brieven en kaarten horen we niets anders dan: ‘Het is hier mooi; we genieten van de natuur, van de stilte, van elkaar’. Drukken we daarmee niet het wezenlijkste uit, daar waar het in ons leven om gaat? Werkelijk genieten lukt niet in je eentje, maar kan pas vanuit verbondenheid, of je nu alleen of met meer mensen op vakantie gaat. Genieten van het materiële kun je pas, als je deelt met anderen, als je broederschap/ zusterschap opbouwt. Daarom denk ik, dat de lezingen ons brengen tot de eenvoud van leven, tot dankbaarheid ook, zoals Riet afgelopen week liet blijken in haar voorbede na een grandioos feest.

Ik wil eindigen met een midrasj die mij heeft geraakt. Er waren twee broers die een akker in eigendom hadden. Het was juist oogsttijd en ze hadden ieder een gelijke hoeveelheid koren opgestapeld. ’s Nachts werd de een wakker en zei bij zichzelf: Mijn broer heeft een gezin met kinderen en ik ben maar alleen; het deugt niet dat ik evenveel heb als hij. Hij stond op, voegde een groot deel van zijn koren aan de stapel van zijn broer en sliep de slaap der rechtvaardigen. Maar ook de andere broer werd wakker en dacht bij zichzelf: Ik ben rijk, want ik heb een gezin en mijn kinderen kunnen mij straks, als ik ouder word, helpen. Ook hij voegde een deel van zijn koren aan de stapel van zijn broer, en sliep de slaap der rechtvaardigen. De volgende morgen bleek… dat zij beide nog evenveel hadden.

Mag die Geest ons bezielen.