|
Preken: Lucas 11, 1 - 13
Door Leonie van Straaten, gehouden op 29 juli 2007
Een mens die luistert en in relatie is met zijn God, kan heel veel
vragen…
De joodse filosoof Abraham Heschel begint zijn
boek over de betekenis van gebed met het hoofdstuk: De wereld van
het hart. Altijd als je leest over gebed, ervaringsverhalen of
onderzoekende verhalen, altijd lees je over de wereld van het hart.
Want daar kun je ruimte maken voor stilte, je openen voor de Ene,
voor Zijn aanwezigheid, voor de schepping. De lezingen van vandaag
gaan over die wereld.
Lukas
vertelt ons hoe Jezus zijn leerlingen leert bidden. Het gebeurde dat
Jezus bad. Zijn geschiedenis is gekleurd door zijn gebedsleven. Dit
gebedsleven voltrekt zich veelal in eenzaamheid, daar zoekt Jezus de
verdieping van de relatie met God, die voor hem als een Vader is. De
leerlingen zien dit en vragen: Heer, leer ons bidden. Leer ons
bidden zoals Abraham leert bidden, zoals Johannes leert bidden: neem
ons mee in die intimiteit, in die authentieke relatie met jouw God.
Een kwetsbare vraag. Stelt u zich maar eens voor dat deze vraag aan
u gesteld wordt – of dat u hem aan een ander stelt: zo’n vraag daagt
uit om je hart open te stellen. Jezus neemt zijn leerlingen en ook
ons mee in woorden die de wereld van zijn hart uitdrukken.
Hij
leert ons God persoonlijk aan te spreken: Vader. Een relatie met God
is nodig om te kunnen bidden. Abraham gaat dichter naar God toe om
met hem in gesprek te gaan, hij zoekt de intimiteit waar het hart
kan spreken. Je hart stil maken, luisteren naar wat God je te zeggen
heeft. En als je dan luistert, dan heilig je zijn naam, omdat de Ene
onvergelijkbaar is, heilig en dus anders. Dit heiligen helpt ons, te
blijven zien dat niet alles gelijk is, dat we het verschil zien
tussen goed en kwaad opdat het heilige niet verloren gaat.
In
dit luisteren ligt ons verlangen naar de komst van Gods koninkrijk –
het verlangen naar een bewoonbare wereld, waar het goede het kwaad
overwonnen heeft.
De mens die zó luistert, weet wat hij in de
ontmoeting met God mag vragen. Het nodige brood is wat er vandaag
nodig is om echt te leven. Abraham wist wat er nodig was en vroeg er
om. Hij spreekt vrijmoedig, in het vertrouwen dat het goede nog een
kans heeft. Hij doet dit totdat God het goede belooft te redden op
voorwaarde dat er dan toch tenminste 10 rechtvaardigen te vinden
zijn. In onze voorbereiding hoorden we dat deze tien niet overal
gezocht worden; zij moeten in het midden van de stad zijn. Een team,
een gemeenschap van rechtvaardige mensen kán de ommekeer bewerken.
Als wij in Zijn naam samen zijn; dan ligt er dus ook voor ons de
opdracht om biddend en levend te protesteren als het goede met het
kwaad ten onder dreigt te gaan.
Maar
tegelijkertijd weet de mens die luistert en spreekt ook dat er geen
garantie is om zelf het goede te blijven kiezen, dat er altijd weer
verleidingen zijn om ons mee te laten nemen door Satan. We willen
niet ingaan op de onverschilligheid of de decadentie van onze tijd
en cultuur – maar het is vaak heel subtiel en het gebeurt
geleidelijk aan. Breng ons niet in beproeving, maar leidt ons naar
de wezenlijke vragen, zoals Abraham, zoals Jezus.
Een mens die werkelijk met God omgaat kan veel,
heel veel vragen. Zelfs om een stad te redden. We kunnen Sodom als
symbool voor het verdorven leven ook vervangen door Las Vegas of de
wereld van Hollywood, en op een heel ander niveau door Bagdad of
Kabul.
De parabel die Jezus aansluitend vertelt
ondersteunt het gebed dat hij leert; het draait om vragen en geven.
Als God geeft wat nodig is om echt te leven, dan is het noodzakelijk
dat ook wij leren geven. We geven heus wel wat nodig is, dat doe je
gewoon, als iemand maar lang genoeg aandringt. Al is het maar om er
vanaf te zijn. In deze parabel wordt iets van onze bekrompenheid
zichtbaar; van het ‘ieder voor zich en God voor ons allen’. De
wereld van het hart, de wereld van gebed breekt deze ‘ik-gerichtheid’
open voor Heilige Geest. Heilige Geest als Gods gave aan ons,
verandert ons leven, verandert ons hart; wij leren bidden én vragen
én geven wat nodig is.
Ik
weet niet of ik met deze woorden iets nieuws heb verteld. Om nieuw
te luisteren en te leren bidden is het goed om soms de routine te
onderbreken. Vakantie geeft hiertoe de kans.
In
onze vakantie viel het dagritme van gezamenlijke gebedsdiensten weg
en ik heb mijn horloge afgedaan. Er was ruimte en stilte in
overvloed en die werden ruimschoots gevuld door de indrukwekkende
natuur van Noorwegen. De natuur zelf kan een mens leren bidden, dat
weten we al heel lang, maar ik heb het aan den lijve ervaren. De
schoonheid leerde me verwonderen. Het natuurgeweld van de talloze
watervallen leerde me vertrouwen. Een heel zware bergtocht leerde me
worstelen om samen te blijven en te geloven dat dit samen niet
helemaal op eigen kracht hoeft te gebeuren.
Bidden is acht slaan op het wonder, schrijft
Heschel. Dat kan overal en altijd gebeuren: in de natuur, in woorden
van eeuwen, in het leven van Jezus kan dit wonder ons raken. Mogen
onze ogen hiervoor opengaan, hier en nu rond deze tafel, opdat we
meegenomen worden in het grote dankgebed vanwege Jezus, om te
ontvangen wat nodig is om echt te leven.
|