Foto: Evangelie volgens Lucas
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Lucas 10, 25 - 37

Door Nel van Cuijk, gehouden op 15 juli 2007

 

Wie was de naaste voor de Samaritaan? Ja, die hem barmhartigheid bewees. Doe jij ook zo !

 

“Het woord wat ik je vandaag geef is niet te verwonderlijk voor je, het is niet te ver weg.” Nee, zeer dicht bij je is het woord. Het zit bij wijze van spreken op de stoel naast je, of – om met het evangelie te spreken – het ligt aan de kant van de weg. Je kunt er makkelijk om heen, om degene op de stoel naast je, om degene die aan de kant van de weg ligt.

 

“Wat moet ik doen om eeuwig leven te krijgen?” Eeuwig leven, dat is zinvol leven, goed leven, niet financieel goed maar het leven waar het echt om gaat. De vraag luidt dus: hoe krijgt mijn leven betekenis, en het is een geleerde die deze vraag stelt. Als hij nu geleefd zou hebben zouden we zeggen: een professor in de ethiek, hij stelt de vraag aan een meester in de verhaalkunst, een meester in levenskunst. Een gesprek tussen twee meesters.

Wat moet ik doen, is de vraag, niet wat moet ik geloven, of hoe moet ik geloven. Nee, wat moet ik doen en dat is een vraag naar een wijze van handelen en dat is het gebied van de ethiek. Hoewel Lucas erbij vermeldt dat deze ethicus Jezus op de proef wilde stellen, ga ik er vanuit dat het een oprechte vraag is. Dat zij on speaking terms zijn. Want waarom zou een hoogstaande ethicus niet aan een andere meester mogen vragen waar het nou echt om gaat.

Jezus geeft hem geen antwoord maar stelt hem een vraag. Dat is meesterlijk en pedagogisch gezien zeer verantwoord. Jezus vraagt: in de wet, in de thora, wat staat daar geschreven, wat lees jij in de wet, m.a.w. hoe interpreteer jij wat er in de wet staat

En de ethicus geeft een uitstekend antwoord. Bij de andere evangelisten is het Jezus die dit antwoord geeft, hier is het de wetgeleerde. Liefhebben zul je de Heer je God en de naaste aan jou gelijk. Hij is een waar schriftkenner, vanuit twee verschillende bijbelboeken heeft hij dit antwoord bij elkaar gezet. uit Deuteronomium en Leviticus.

De man weet waar hij het over heeft, zijn kennis, zijn al dan niet academische kennis, is ruim voldoende en Jezus zegt dan ook: dat is juist en dus ga dat doen.

 

Voor de wetgeleerde is de discussie echter niet afgelopen, want; ja maar wie is mijn naaste? En ook nu geeft Jezus niet rechtstreeks antwoord. Hij vertelt een verhaal, of beter gezegd, een gewoon alledaags verhaal. Ik denk dat het regelmatig voorkwam dat mensen op de weg werden beroofd, dat was en is van die tijd en dat was en is van ónze tijd. We worden immers regelmatig gewaarschuwd voor zakkenrollers, voor allerlei oplichters en in menige stad vindt je de tegel met het onzelieveheersbeestje als teken dat die plaats tegen zinloos geweld is. Beroving en mishandeling, overvallen worden, dat is van alle tijden.

De meester in de verhaalkunst vertelt een verhaal of beter misschien vertelt een krantenbericht, alleen waren er toen nog geen kranten. Iemand wordt overvallen en beroofd en halfdood langs de kant van de weg gelegd. Er komen enkele mensen voorbij, hoogstaande mensen die hem gewoon laten liggen, de weg oversteken en niet in de buurt komen. Als wij in onze tijd geconfronteerd worden met geweld dan moeten we drie tikken uitdelen – zo leren we van de ideële spotjes op TV – en het slachtoffer helpen. En we lezen regelmatig dat slachtoffers voorbij gelopen worden, dat wij mensen doen alsof we het niet gehoord en gezien hebben.

Dan komt er een soort buitenlander, een Samaritaan en die raapt de man op. Uw antwoord is juist ga dat doen had Jezus gezegd en hier zien we wat dat doen dan inhoudt. De vreemdeling is geraakt, getroffen hij weet wat het betekent om met de nek aangekeken te worden, hij heeft ervaring van voorbijgelopen worden, van dat mensen met een boog om je heen lopen, dat mensen hun handen niet vuil willen maken aan je.

En hij laat zijn hart spreken en doet. Verbinden, verzachten, optillen, ergens naar toe brengen en er zorg voor dragen dat in de komende dagen de verzorging gehandhaafd wordt.

En dan komt de vraag van Jezus. Wie is de naaste geworden? Naaste worden is geen academische vraag, naaste worden is handelen. Wie mijn naaste is, is een irrelevante vraag. Jij, ik wij maken mensen tot onze naaste of we laten ze links liggen. En ook dit weet de geleerde en zijn antwoord is prachtig: hij die hem barmhartigheid betoond heeft.

En hoewel er dat allemaal niet staat mag je toch zeggen dat er op dat moment van alles door deze geleerde heengegaan moet zijn. Als er in de thora over God gesproken wordt dan klinkt het als een echo uit elk bijbeldoek dat God een barmhartige God is, groot in liefde en trouw, barmhartig tot in het derde en vierde geslacht. In het antwoord van de wetgeleerde horen we opnieuw wat het belangrijkste gebod in de thora is. God liefhebben en de ander want hij is als jij. En jij en ik wij moeten doen wat we vanuit elk bijbelhoek horen dat God doet: barmhartigheid tonen, eindeloos barmhartigheid tonen tot in het derde en vierde geslacht. Aan vreemdeling en vriend, aan bekende en onbekende.