|
|
Preken: Lucas 9, 51 - 62
Door Tineke Renkema
Ooit zei ik ‘Ja’ tegen iemand of iets
De eerste woorden van de evangelielezing maken
ons direct wakker, want in de letterlijke vertaling staat er: “En
het geschiedde …”. En dit betekent: Let op, luister goed, want in
wat hier gebeurt, voltrekt zich de heilsgeschiedenis van God.
Jezus gaat onderweg naar Jeruzalem, die stad met
die tempel welke als centrum van gelovig leven geldt, waar nu de
gevestigde orde zetelt. En gevestigde orde roept op: niet meer
bewogen, niet meer onderweg, gestold geloof. In dit Jeruzalem zal
het optreden van Jezus alle schijn van heiligheid blootleggen. Hij
zal ontmaskeren en dat zal hem zijn leven kosten. En toch
Heilsgeschiedenis? Ja, want levendig staat ons voor ogen dat hier
een mens is, die zich waagt, die zich niet laat weerhouden met het
oog op het Koninkrijk van God. Laat ik proberen daar wat dichterbij
te komen.
Na de
verheerlijking op de berg Tabor, waar opnieuw de stem geklonken
heeft: “Hij is mijn geliefde zoon”, en waar het gezicht van Jezus
straalde, kiest Jezus dit Jeruzalem als reisdoel. Vastberaden, maar
nu met een hard gezicht, zo staat er. Hij weet dat hij zich waagt en
hij weet waartoe. Dat gaat allesbehalve vanzelf, dat vraagt veel
kracht en dat is zichtbaar op zijn gezicht.
Al direct wordt hem de voet dwars gezet. Hij en
zijn leerlingen worden niet ontvangen. En dan blijkt dat het geloof
van Jezus, hoe radicaal ook, hem niet maakt tot een fanaticus, niets
en niemand ontziend. Hier geen spoor van het fanatisme, dat tot op
de dag van vandaag de godsdiensten teistert. Het voorstel van de
leerlingen om vuur uit de hemel te doen neerdalen om te vernietigen,
wordt door Jezus radicaal van de hand gewezen. Zo niet! Het
koninkrijk van God heeft niets van doen met dit soort macht. Het
koninkrijk van God heeft van doen met: in leven laten, naast elkaar
bestaan, weerloze macht. Aan Jezus is af te lezen hoe wij zouden
kunnen omgaan met een situatie, waarin je niet welkom bent. Hoe wij
zouden kunnen omgaan met afwijzing: Keer je om, schud het stof van
je voeten en houd je opdracht, je doel voor ogen. Houd voor ogen
waartoe je op weg bent.
Jezus is onderweg
en dit is een uiterst belangrijk gegeven, want het staat tot 5 maal
toe in de tekst. Geloven is onderweg zijn, optrekken naar, met het
oog op het verkondigen van het Koninkrijk van God. En de vraag komt
op wat het dan betekent als je met hem wil gaan, bij hem wil
blijven, hem wil volgen? Het betekent – zo krijgt de eerste man, die
vraagt hem te mogen volgen, te horen – dat je altijd onderweg zult
zijn, nergens iets om je hoofd op neer te leggen, in beweging en
vooral ook geen garanties, maar het erop wagen, open voor wat zich
aandient. Het vraagt – zo krijgt de tweede man, die Jezus zelf
aanspreekt, te horen – dat je een open houding zult moeten aannemen
ten aanzien van wat je dénkt, dat zeker en absoluut is. Zelfs je
dode vader begraven, wat een heilig belang is en ook blijft, kan
niet worden gefixeerd, als de toekomst daardoor wordt afgesloten.
Jezus volgen betekent ook, dat je los moet laten wat achter je ligt.
Zo is het antwoord aan de derde. Loslaten, wat achter je ligt, in
zoverre het je verhindert op te trekken om iets van je droom
gestalte te geven. Het beeld van de ploeg is prachtig. Wie het land
gereed wil maken om te zaaien en bij het ploegen achterom kijkt,
riskeert kromme voren te trekken. Het land wordt dan onbruikbaar.
Hoe is dat volgen van Jezus toch mogelijk met
onze behoefte aan zekerheid, aan garanties, waardoor regels en
wetten absoluut worden, met de soms onontkoombare fixatie op
onszelf, onze angst om onszelf te verliezen? Hoe is het toch
mogelijk om als Elisa je bestaanszekerheid op te geven, alle schepen
achter je te verbranden om gehoor te geven aan die roep van die
ander? Hoe is het toch voor ons mogelijk om in deze radicale
bewegingen een boodschap van bevrijding en geluk te onderkennen?
Een poging tot iets van een antwoord. Allereerst:
Het volgen van Jezus kan niet worden opgelegd, verplicht. Waar
alleen de wil in het spel is, is er geen weg. “Heb ik je tot iets
verplicht?” vraagt Elia aan Elisa als hij hem roept. Op een roep
ingaan, Hem volgen kan niet zonder dat er iets in jou en mij wordt
geraakt, iets wordt aangeraakt. En dit is heel beslissend.
Wat wordt er dan geraakt? Iets dat van de
oorsprong af, vanaf de schepping in ons binnenste werd gelegd: de
niet te stuiten gedachte, dat het mogelijk is om op weg te gaan naar
het land van belofte, naar het koninkrijk van God, waar jij en ik
naast elkaar in vrede en liefde bestaan. De niet te stuiten
gedachte, vanaf de schepping in ons gelegd, om je te kunnen
toewenden naar een belang dat groter is dan jezelf, om je te hechten
aan wat goed is.
Hoe wordt een mens
dan geraakt? Door iemand die iets zichtbaar maakt van die liefde en
die vrede. Door iemand die omziet naar mij, die mij vraagt waar en
wie ik ben, die mij vraagt naar mijn broer en zuster. Door iemand
die mij roept. Maar hoe zal dit kunnen gebeuren, ik kan immers niet
‘maken’ dat ik word geraakt. Ik kan er toch zelf niet voor zorgen.
Maar er is wel iets als een openstaand verlangen, een blijven zoeken
naar. Ik kan wel zoeken en mij verbinden met die momenten in mijn
leven, die ‘heilig’ waren, die iets van God in zich dragen – die
misschien wel heel kleine momenten van ervaren liefde. Ik kan me wel
verbinden met die momenten, waarop ik zie, dat iemand zich hecht aan
een groter belang dan het zijne, hare. Om te kunnen volgen moet ik
die heilige momenten wel onder woorden brengen, zodat ze kunnen
raken aan dat Godsverlangen dat in ieder van ons is gelegd.
Jezus volgen,
onderweg gaan, is net als Hij, antwoord geven op dit geraakt zijn.
“Ooit zei ik ja tegen iemand of iets”, zei Dag Hammerskjöld. Geloven
vraagt dit heilig ja zeggen, ook al is het in angst en beven, ook al
is het koninkrijk, dit beloofde land ver te zoeken.
Gemeenschap vormen in zijn Naam betekent de
mogelijkheid ontvangen en de mogelijkheid scheppen voor anderen om
je werkelijk los te maken van wat er eigenlijk niet toe doet. Het is
niet alleen een gevecht, een bijna onmogelijke opdracht, maar het is
ook bevrijdend, verlossend om je los te maken van alles wat je zo
vast in handen houdt, wat je verhindert onderweg te gaan of te
blijven. Het is ook een geluk om je te kunnen hechten aan wat je
herkend hebt als ‘heilig’ in het leven. Je gezicht kan ervan gaan
stralen. Het is een geluk als het ‘ja, maar’, gaande de weg met Hem,
met elkaar, zich ontwikkelt tot een ‘ja’. Dan ontstaat de
mogelijkheid om trouw te blijven. Het vraagt kracht en dat zal ook
op je gezicht af te lezen zijn.
Ooit zie ik ja tegen iemand of iets.
|