|
Preken: Lucas 7, 11 - 17
Door Tineke Renkema,
gehouden op 10 juni 2007
Deel hebben aan Gods bewogenheid
We
lazen twee zeer aan elkaar verwante verhalen en we weten: het gaat
daarbij niet om ware feiten, maar om een waarheid die we alleen via
verhalen kunnen kennen.
Twee verhalen over twee vrouwen, voor wie de
toekomst lijkt te zijn afgesneden door de dood van hun enigste zoon.
Twee weduwen. Ze hebben dus hun man al aan de dood verloren en
wellicht ontlenen zij aan hun zonen hun enigste levenszin. Hun
tastbare hoop is uit hun hand weggeslagen. Twee weduwen ten
prooi gevallen aan de wanhoop.
In deze twee verhalen wordt een ontwikkeling in
de heilsgeschiedenis zichtbaar. Waar Elia in het verborgene, met
heel zijn lichaam, met alles wat hij heeft, tot driemaal toe God
bidt om het leven van dit kind en God zijn gebed verhoort, is het
Jezus zélf, zo bezield, zo één met Gods Geest, dat hijzélf het
levengevend woord in alle eenvoud, in alle openbaarheid, spreekt.
Is
wat daar en toen gebeurde, eerst in O.T., later in N.T., is daar ook
iets van zichtbaar in het hier en nu?
Laat
ik dieper ingaan op het verhaal zoals de evangelist Lucas het ons
vertelt.
Het
verhaal begint met (en in onze vertaling is dat weggevallen):‘En het
geschiedde’ en even verder op ‘En kijk’. Dit betekent voor ons een
aanwijzing: let op, hier opent zich iets van Godswege.
Laten
we het ons met de ogen van onze verbeelding voorstellen: Jezus is
onderweg met zijn leerlingen en een grote menigte. Een grote menigte
vol van verwachting, vol van leven, vol van perspectief, onderweg om
de stad binnen te gaan, en daar tegenover, in omgekeerde richting,
eveneens een grote menigte om een vrouw heen, die de stad uitgaat om
het enigst kind van deze vrouw, alles wat zij heeft, te begraven.
Deze
twee groepen komen elkaar tegen. Een scherpere tegenstelling is niet
denkbaar: leven tegenover de dood. Daar gaat het hier om! Daar gaat
het in ons leven om!
Ik las dat het een joods gebruik is, dat Jezus
zo’n rouwstoet een stuk zou moeten vergezellen, om mee te rouwen als
uiting van medeleven. Maar dat is niet wat Hij doet. Hij gaat
er juist niet in mee. Hij ziet de vrouw en, zo staat er in de
Naardense bijbelvertaling, alles in hem raakt over deze vrouw
bewogen. En het is juist deze diepe bewogenheid, die Jezus in
opstand doet komen tegen de wanhoop van deze vrouw, tegen de
ervaring van afgesneden zijn van toekomst, dit leven dat zó geen
leven meer is: Ho, stop, blijf staan, ween niet! In opstand tegen
een bestaan dat ten dode voert, zonder enige hoop.
Jezus
gaat niet aan deze wanhoop voorbij én Jezus gaat niet in deze
wanhoop mee. In plaats daarvan: Hij raakt dit lijden, de dood van
deze vrouw aan, maakt er contact mee. En als teken zegt hij tot de
jongen: ”Ik zeg je: sta op”. En misschien is het voor het eerst dat
deze jongen, zó aangesproken, tot spreken komt.
Wat
gebeurt hier: kunnen we erbij komen?
Allereerst is er die diepe bewogenheid bij het zien van iemand die
lijdt, wanhoopt, van een bestaan ten dode. En misschien kennen we
daar iets van: zo bewogen zijn, dat het liefde losslaat, een kracht
vrijmaakt, waarbij je niet erin meegaat en als gevolg daarvan even
wanhopig wordt én je niet eraan voorbijgaat uit angst erdoor besmet
te worden.
Maar
waarbij je het waagt de ontmoeting aan te gaan, niet meer bekommerd
om jezelf, je angst en wat niet al.
Het was goed om mij te realiseren dat dit zo
diepe geraakt worden dat alles in je bewogen wordt, niet iets is,
wat je zelf doet, niet het resultaat van eigen activiteit, niet iets
van eigen maaksel, wél iets van open ogen, een hart dat ziet, iets
waarnaar mijn verlangen kan uitstaan.
Er is
maar één bewogenheid en die is van God. Jezus laat zien hoe een mens
deel kan nemen aan die bewogenheid.
Precies die doorbraakervaring van het zien van
het appèl van een ander heeft met God van doen. De macht van mijn ik
wordt gebroken door het appèl van de ander. Als ik aan mezelf ben
overgeleverd - en ik ken dat heel goed - , is er uiteindelijk geen
leven meer. Als ik het appèl van jou onderga, komt er liefde vrij.
Wij zijn sterfelijk; het gaat in dit verhaal ook niet om een opstand
tegen het feit dat wij zullen sterven, hoezeer wij in onze cultuur
ook dát ontwijken, maar het gaat erom dat wij niet verloren gaan aan
onszelf, de dood, de 2de dood.
Het verhaal vertelt mij op een indringende
manier: het appèl van de ander verlost mij van de dood.
Er is
maar één bewogenheid en die is van God. Dit is ook wat allen die
erbij waren, vervulde van heilig ontzag, zo vertelt Lucas. Zij
herkenden: Jezus openbaarde hen een God die omziet naar zijn volk.
Kunnen wij op onze beurt deel hebben aan die
bewogenheid en zo een léven vinden tegen de dood? Het vraagt grote
bescheidenheid. Het is slechts hier en daar en soms, dat wij elkaar
echt durven ontmoeten en ingaan op elkaar. Daar is dan de Geest die
leven geeft.
Bewogenheid, losgetrokken worden van onszelf door
het appèl van de ander kunnen wij maar ten dele waarmaken. Maar ik
geloof dat wij als deze gemeenschap samen worden gebracht in dat ene
appèl. Het gaat om deel hebben aan Gods bewogenheid. Het gaat om
leven tegen de dood. Leven met ons sterven en verzet tegen de dood.
Laten
we met de mensen van eertijds die God loven, die omziet naar ons,
die bewogen is om ons en ons leven geeft.
|