|
Preken: Lucas 15, 1 - 3 + 11 - 32
Door Leonie van Straaten,
gehouden op 18 maart 2007
40
jaar Gemeenschap De Hooge Berkt: Waar een mens thuiskomt en zijn
bestemming nadert, komt God aanwezig
De weg van de mens, zo schrijft Martin Buber, is
een persoonlijke weg – een eigen weg. Want iedere mens is uniek en
mag zijn eigenheid in deze wereld tot volheid leven. Maar voor Buber
is het doel van deze weg niet de zelfrealisatie, zoals in de laatste
decennia veelvuldig klinkt, het is een weg die uitstaat naar het
aanwezig komen van God.
God
is echter in onze tijd voor veel mensen afwezig. De onrust die dit
in ons oproept kunnen we niet sussen met het blijven herhalen dat
God er is. We staan voor de gecompliceerde opdracht om ons kostbare
en kwetsbare geloof in een God die er zijn zal te verbinden met de
vragen en antwoorden van onze tijd.
Daartoe moeten we zelf op weg om anders te leren kijken en de vragen
en antwoorden van deze tijd te verstaan. Het evangelie van vandaag
is voor mij een prachtige én confronterende wegwijzer.
Lucas
vertelt over de confrontatie van Jezus met schriftgeleerden en
Farizeeën. Deze traditiegetrouwen wijzen afkeurend naar Jezus. Hij
is een gevaar voor hun identiteit: zij houden krampachtig vast aan
wat hen is geleerd, zonder in de eigen tijd nieuwe betekenis te
durven opdelven. En dat is precies wat Jezus wel doet: hij wacht op
tollenaars en zondaars: degenen die er niet bijhoren nodigt hij uit
tot nieuwe gemeenschap.
Jezus
gaat niet met zijn tegenstanders in gesprek, maar vertelt een
gelijkenis. Met dit verhaal laat hij zien wie hij zelf is en nodigt
uit om te zien wie wij zelf zijn in onze realiteit.
Het gaat over “zomaar een mens”. Deze mens wordt
door de meeste commentaren onmiddellijk als God geduid. Maar is dit
niet te snel? Wordt daarmee recht gedaan aan de God zoals Jezus hem
present stelt? Want deze eerste zin over ‘zomaar een mens met twee
zonen’ roept een huishouden op zonder vrouw en moeder, een
menselijke situatie van kilte en vervreemding. Zo naakt en
onthutsend is het leven vaak. Daar kunt u – helaas – de kranten op
nalezen. En in deze kale menselijkheid vraagt de jongste zoon naar
zijn deel van het bezit. Het woord ‘ousia’ betekent zowel ‘bezit’,
als ‘wezen’; deze jongen ziet bezit als het wezenlijke, meer dan het
materiële kent hij niet en het wordt hem niet gegeven. Zo vertrekt
hij en zijn weg leidt naar vervreemding. Op het dieptepunt komt hij
tot inkeer. Hij komt tot zichzelf en luistert. Hij staat op en gaat
naar zijn vader. Hij moet van ver komen, maar zijn vader ziet hem en
gaat hem tegemoet.
De
vader ziet zijn zoon en onderbreekt de schuldbelijdenis. De
voorgenomen zin: ‘doe met mij als één van je dagloners’ wordt niet
meer uitgesproken, omdat de vader hem als zoon ontvangt. En hier
ligt voor mij het belang om deze vader niet vanaf het begin als God
te zien: God wordt wie hij is door onze menselijkheid heen. God
krijgt in deze vader een menselijk gezicht. Zoals hij in Jezus een
menselijk gezicht krijgt. Menselijk is het om iemand die van heel
ver moet komen, met open armen te ontvangen.
Die oudste zoon wordt hierdoor flink beproefd.
Hij leeft van wat hem in handen is gegeven, hij bewaakt en bewaart
het, hij is trouw, bepaalt zijn eigen identiteit. Máár: hij is niet
gelukkig, hij is vol verwijt, jalousie en wrok. Hij kent geen
broederschap, getuige de uitspraak: ‘die zoon van u…..’ De vader
vermaant hem, roept hem erbij, nodigt hem uit om anders te kijken,
zowel naar zijn eigen leven als naar dat van zijn broer. Hij geeft
ook hem de kans om thuis te komen, ten diepste.
En
daarmee eindigt deze gelijkenis. Een open einde.
Op
onze weg naar Pasen versta ik in dit verhaal de oproep tot anders
leren kijken naar Jezus: hij is thuis bij God als zijn Vader en
betrekt mensen in dit verbond. Zo is het ook een oproep om met hem
anders te leren kijken naar onszelf en de ander, opdat wie mij
vreemd is, met wie ik het helemaal gehad heb, in Godsnaam thuis kan
komen. Is dit verlangen naar thuiskomen niet één van de grote vragen
van mensen in onze tijd?
Wij, christenen, wij hebben geen antwoord
op vragen van onze tijd, maar wij zijn misschien wel een
antwoord. Waar God afwezig lijkt, komt het er des te meer op aan of
en hoe wij aanwezig zijn. Waar een mens thuis mag komen en zijn
bestemming nadert, komt God aanwezig.
Het
diepe verlangen naar thuiskomen vraagt dan ook om plaatsen – heel
concreet – waar dit kan gebeuren. Plaatsen waar mensen in geloof
anders leren kijken, op de ander wachten, elkaar bevragen, vermanen,
ontroerd raken. Plaatsen waar mensen oog hebben voor wat ze zelf
ontvingen en voor wat ze kunnen geven.
Goddank zijn er plaatsen waar ‘twee of meer’ in
Zijn naam samen zijn. En vandaag zijn we bijzonder dankbaar en
vieren we feest vanwege déze plaats van geloofsontmoeting. Een
oefenplaats, een leerschool, een vindplaats.
In
verbondenheid met christenen waar ook ter wereld is het een vreugde
om vandaag samen maaltijd te vieren, als een teken van Jezus, die
ons hier en nu voorgaat naar goed en gelukkig leven.
Moge
zijn geest over ons komen.
|