Foto: Evangelie volgens Lucas
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Lucas 15, 1 - 3 + 11 - 32

Door Tineke Renkema

Omdat hij het is, groter dan ons hart

Zo zitten wij dan hier, als tollenaar en zondaar, als schriftgeleerde en farizeeër en ongetwijfeld ook als leerling, al wordt deze niet expliciet in de tekst genoemd. We horen Jezus deze gelijkenis van een vader en zijn twee zonen aan ons vertellen.

Het verhaal begint met de jongste zoon, die zijn recht opeist. Hij krijgt tezamen met zijn broer zijn deel en vertrekt. Op weg naar de vrijheid, ver weg. Ver weg waarvan eigenlijk? Ver weg van wie eigenlijk?
Geen woord komt er over de lippen van zijn vader. De zoon krijgt zijn materiële deel, maar is het dat waar hij om vroeg, is het dat wat hij nodig had? De verhouding tussen deze vader en deze zoon lijkt er een te zijn van leegte en gemis. En dat doet pijn. Weg wil hij. Weg van die pijnlijke benauwenis. Weg van huis. Weg van een huis, dat geen thuis is.
Hij vertrekt om hiervan te worden bevrijd, door impulsen gedreven.
Maar hij neemt zichzelf mee en vrijheid zonder binding verwordt tot losbandigheid. Het brengt hem nog verder van huis, het brengt hem uiteindelijk bij nog een grotere leegte, een nog groter gemis, een niet te stillen honger. Hij is verloren, onontkoombaar nu. En daar kan hij niet meer van weg.

Toen kwam hij tot zichzelf! En in zichzelf, in zijn honger, vindt hij een naam, de naam van zijn vader. En hij lijkt te zoeken naar een mogelijke verhouding met hem.
Een verhouding van vader en zoon? Hij durft daar niet meer in te geloven. Heeft hij niet al zijn rechten op zoonschap verspeeld? Hij is rechteloos geworden, waar hij eertijds zijn recht opeiste!
Hij wordt gedreven door honger, maar naar zijn verlangen durft hij nog niet of niet meer te luisteren.

En de vader?
Anders dan een moeder, die het kind zelf heeft gedragen, is de vader niet bij voorbaat, zonder meer vader, de vader. Hij wordt pas vader door het kind expliciet te erkennen als zijn kind. Naast die erkenning hoort het bij het vaderlijke om de wet te stellen, de grens te zetten, waar het moederlijke koestert. Maar de vader kan alleen de wet stellen, als hij zijn kind erkent. Alleen op die basis, op basis van die expliciete erkenning, is hij gezagvol. En gezag is noodzakelijk, een gezag waarbij de vrijheid van het kind niet wordt beknot, maar richting krijgt.
Waar de vader in het begin in alle talen zwijgt, horen wij hem zijn vaderschap in de loop van het verhaal expliciet op zich nemen. Hij is ook tot zichzelf gekomen. Hij ziet naar zijn zoon uit, hij is met hart en ziel bewogen. De vader in hem is gaan leven en door zijn erkenning doet hij zijn zoon herleven, opnieuw geboren worden.
De zoon is van huis weggegaan, maar is nu thuis gekomen. Huis is tot thuis geworden. De zoon kan nu met zijn verlangen leven, zijn honger stillen met voedsel van eigen grond, zoals de Israëlieten na veertig jaar in de woestijn te hebben verbleven, konden eten van de grond van het beloofde land direct toen ze daar aangekomen waren. – Bij Jozua hebben we juist gelezen hoe hij het aankomen in het beloofde land markeert met het eten van het voedsel van het land.

Maar de vader had twee zonen! De oudste is in huis gebleven, hij heeft gedaan wat hij dacht dat ervan hem werd verwacht, gedaan wat hem werd opgedragen. Hij heeft stilzwijgend gehoopt op deze wijze de vaderlijke erkenning te krijgen en voor zijn gehoorzaamheid te worden beloond, maar hij is evenmin verbonden geraakt. Hij heeft weliswaar zijn plicht gedaan, maar zijn losbandigheid zit van binnen. Van buiten gezag gevend, maar van binnen verloren, buiten de verhouding vader – zoon levend.
Hij spreekt dan ook niet de vader, maar de knecht aan. En wanneer de vader naar hem toekomt, hem binnen nodigt, laat hij zijn verlorenheid zien. In zijn bittere reactie op de vader spreekt hij over zijn broer als ‘die zoon van u’. De leegte en het gemis in de verhouding met zijn vader heeft ook doorgewerkt in het niet kunnen erkennen van zijn broer: ‘Die zoon van u’. Broederschap kan alleen zijn grond vinden in vader-zoonschap. Maar ook voor deze zoon is de vader nu open: ‘Jongen, toch, alles wat ik heb is van jou’. Het verhaal vertelt niet of deze zoon alsnog thuiskomt. Ook hij moet van ver komen, maar hij heeft iets van verbinding gemaakt met wat er in zijn innerlijk leeft. Het is crisistijd! Tijd van kansen om alsnog binnen te komen in de verhouding met zijn vader om van daaruit zijn broer als broer te kunnen erkennen.

Waar springt de vonk over? Wat heeft deze gelijkenis met mij, met ons van doen, waar raakt het aan mijn, aan onze ervaring, zoals wij hier zitten?
Het is vastentijd! Tijd van inkeer, tijd om te komen tot onszelf, tot ons stil en diepst geheim.
Het vergaat mij soms als de jongste zoon, soms als de oudste zoon: door soms weg te lopen, door soms te blijven en uiterlijk gehoorzaam te zijn. Maar wanneer ik dan tot mijzelf kom, en het leven dwingt mij daartoe, dan vind ik daar de leegte en het gemis en de levensgrote vraag waartoe ik leef, de vragen naar zin en betekenis.
Deze vraag naar waartoe ik hier ben, vindt alleen dan een antwoord als ik gehoor geef aan de Naam die dan in mijn diepste wezen klinkt. Er was, en er is geen andere mogelijkheid dan mij opnieuw te wagen aan het oog in oog staan met die Ander, die Naam, en te belijden dat ik verloren ben geraakt en me heb afgewend. Er is geen garantie, maar ik geloof dat die Ander mij opnieuw zal erkennen als zijn zoon, zijn dochter, omdat Hij het is, groter dan mijn eigen hart.
Dit is niet zonder consequenties: Oog in oog staan met Hem, gehoorzaam aan die Naam, vraagt om het opnieuw te wagen oog in oog te staan met mijn broer, mijn zuster en te zeggen wat in mij is.
Elke keer dat dat gebeurt is er reden om te feesten, elke keer dat ik het om me heen zie, en het gebeurt echt onder ons, dan is er grote vreugde.

Vastentijd, een tijd, om te komen tot onszelf, gehoor gevend aan de Naam die dan klinkt, de weg gaan met Jezus, die ons hierin voorgaat.
Dit betekent voor ons, dat wij als tollenaars onze waardigheid als zoon, dochter, op ons nemen en onze vrijheid verbinden met het geven van gezag.
Dat wij als farizeeërs onze gehoorzaamheid, ons houden aan de wet, verbinden met ons hart en zo onze broers en zusters erkennen.
Jezus toont ons, wat het is, ontroerd, bewogen te zijn als een vader, levend met God, zijn eigen Vader, die niet verloren laat gaan een mensenkind.
Mogen wij zo leerling zijn, met vallen en opstaan, omdat Hij het is, groter dan ons hart.