|
|
Preken: Lucas 13, 1 - 9
Door Niek Werkhoven
Bekeren tot leven tot leren om gemeenschap te
worden!
Het blijft een
pracht verhaal, dat van Mozes, zo herkenbaar en toch zo vreemd.
Mozes de weggelopen koningszoon die als schaapherder door de
woestijn trekt en de moed heeft op een vreemd verschijnsel af te
gaan. Hij moet dat bekopen want hij krijgt daarmee een onmogelijke
opgave op zijn schouders: slaven bevrijden uit hun dwangarbeid. Er
wordt hem niet gevraagd of hij dat kan, of hij er zin in heeft, nee
God verzekert hem alleen dat Hij er zal zijn. En daarmee moet hij
mensen, een perspectief gaan geven op leven, op vrijheid. Mensen die
niets anders kenden dan grauwe dagen met slechts één
obsessie:overleven. Maar wat me vooral trof bij dit verhaal, -
waarschijnlijk onder invloed van vorige week toen we hoorden:
‘luister naar hem’ -,is het gegeven dat deze mensen wel hoorden dat
God zo begaan was met hun leven, maar niemand anders hoorden en
zagen dan deze herder uit Midjan! Je moet je dat eens voorstellen:
jaren lang geen enkel uitzicht dan dwang en onderdrukking, en dan
komt er een man van buiten, uit de woestijn, die hen komt zeggen,
dat er een andere manier van leven voor hen openligt, dat er, van
Godswege, perspectief is op zelfbeschikking, op vrijheid. Door deze
bril heb ik ook naar het evangelie van deze dag gekeken. Mensen
praten over een moordpartij, een bizarre realiteit ook vandaag. Wat
dat betreft was die tijd toen niet veel beter of slechter dan de
onze. Maar wat moet je dan met zo’n woord: ‘bekeer je anders ga je
op dezelfde manier ten onder’? Het vergt wat van je om daar naar te
luisteren! Het vraagt wat om dat niet als een vrome dooddoener opzij
te schuiven. Ik hoor erin dat Jezus niet verleid wordt om zijn
oordeel over zo’n terreurdaad te geven. Dat kwaad is er, zoals er
ook dat kwaad is van ongelukken, van dood. Jezus’ reactie is te
verstaan uit het verwijt, vlak voor dit evangelie: jullie kunnen wel
de verschijnselen van hemel en aarde beoordelen, maar waarom niet
deze tijd? ‘Bekeer je’ heeft te maken met dit verstaan van de
verschijnselen van de tijd. Met andere woorden: denk niet dat je het
kwaad dat gebeurt ergens kunt plaatsen, ver van je kunt houden, maar
leer ervan hoe je moet leven. Dat heeft niets van doen met
vergeestelijken van de realiteit! En dan gaat het er, juist zoals
bij Mozes niet om of je dat kan, want het kwaad in zijn vele
gedaanten is een onoplosbaar geheim, evenmin of je daar zin in hebt,
maar welke rol God in je leven speelt, in het leven speelt. ‘Bekeer
je’, zonder dat Hij zegt hoe je dat moet doen. Jezus is
klaarblijkelijk geen moralist die precies weet hoe of wat het goede
is. Toch zegt Hij meer dan alleen maar vaagheden. Daarom mogen we
dat woord niet zomaar blijven herhalen, louter herhalen wekt
verveling. Kunnen we dan iets aan dit woord bekering toevoegen zodat
we zijn appèl verstaan? Ik meen van wel. Op de eerste plaats wordt
uit de figuur van Mozes, maar ook uit dit optreden van Jezus
duidelijk dat roeping, zending, levensopdracht of hoe je dat ook
noemen wil, niet ter wille van de persoon is maar bestemd is voor
anderen, voor het volk. Dat lijkt me al heel wat om ‘bekering’
gestalte te geven. En dat stelt me voor de vraag wil ik dat wel? Wil
ik leren van situaties, wil ik iets leren van anderen? Leren door
iets aan te nemen, over te nemen, op te nemen en er iets aan toe te
voegen? Hierin zie ik een duidelijk verschijnsel van de tijd, want
‘gezag’ is een beladen woord, het lijkt wel of dit alleen mijn
eigenheid en vrijheid kan beknotten. Maar ik hoor Jezus niet zeggen
dat dit leren voor ieder op dezelfde manier moet gebeuren. De een
zal bevestigend, meelevend naast de ander gaan staan, een ander zal
het leren meer uiten door kritisch en ongeduldig te blijven vragen.
Maar wat gemeenschappelijk is, is dat gezocht wordt naar God, dat
wil zeggen een overstijgen van eigenbelang, eigen absoluutheden.
Levensvreugde gaat hand in hand met levensernst, wil de vreugde geen
oppervlakkig plezier worden dat voortdurend sterkere prikkels nodig
heeft. De bekering die Jezus vraagt heeft weinig van doen met het
keurslijf van brave burgers, maar wel met het vrij worden van
obsessies die verkramping teweeg brengen. Dat klinkt nogal gladjes,
maar volgens mij heeft dat te maken met het stoten, niet alleen op
je beperktheid, maar ook op het vreemd zijn, hoe vreemd je voor
jezelf kan zijn. De bekering die Jezus vraagt is een weg naar
vrijheid, terwijl we ons dan ook moeten realiseren hoe gebrekkig
onze kennis van vrijheid is. Maar in ieder geval is ook dit
evangelie geen dreigement. Ik hoor tenminste in deze woorden eerst
en vooral: mensen laat de kans toch niet voorbijgaan. Toch mag ook
deze bekering geen obsessie worden. We staan niet altijd op een punt
van nu of nooit. Maar juist door jaar in jaar uit de gang naar Pasen
te vieren, serieus, en niet alleen maar te herhalen, zullen we de
cruciale ogenblikken opmerken en niet als gemiste kansen laten
drukken, op eigen leven, op de samenleving. Jezus probeert het een
en ander dan te verduidelijken met een gelijkenis, zo’n
doordenkertje. Wijngaard, in die tijd geliefde beelden om het volk
aan te duiden, en twee twee personen die spreken over een boom, een
boom die maar geen vruchten wil geven. Wat moet die vijgenboom
eigenlijk in een wijngaard? Waarom wordt juist van die boom vruchten
verwacht? Zou je die vijgenboom niet mogen verstaan als de
instituties, de organisatie, die kerk, maatschappij of gemeenschap
bijeen houden? Die boom moet vruchten voortbrengen, en daar is geen
twijfel over mogelijk: dan gaat het om vrijheid, vrede, vreugde. Dat
zijn de vruchten van de Geest die God zoekt en zo dikwijls niet
vindt. Wie is die wijngaardenier, die arbeider, die de Heer pleit om
zijn eigendom, zijn gemeenschap, zijn kerk, zijn maatschappij nog
een kans te geven? Als je de laatste zin goed gehoord hebt, is het
duidelijk: De arbeider zal spitten en mest geven, maar als het dan
nog niets wordt met die vruchten: hak u hem dan maar om, met de
ondertoon: ik zal het niet doen! Misschien is daarom de vraag welke
rol God speelt in mijn leven niet de goede vraag en stelt ‘de
bekering’ me eerder de vraag welke rol ‘Gods eigendom’ speelt ten
opzichte van mijn belangen, en verlangen. Spitten en mest geven is
niet het leukste of verhevenste werk dat denkbaar is, maar het
verwijst wel naar de alledaagse dag. En daar is het toch waar we God
kunnen ontmoeten, waar we zijn bekommernis om mensen tegen komen.
Dat dit uur ons de moed geve de bekering op te nemen.
|