|
|
Preken: Lucas 4, 1 - 13
Door Koos van Etten, gehouden op
25 februari 2007
Beproevingen in het leven
Het zijn twee prachtige lezingen die we vandaag
horen. Ik ga eerst kort in op de lezing uit Deuteronomium. Daarin
wordt ieder van ons uitgenodigd, als wij de vruchten van ons leven
voor de Heer willen brengen, dit te doen met een speciale
geloofsbelijdenis. We plaatsen ons dan in de traditie en vertellen,
hoe God ons door de exodus heen heeft bevrijd uit slavernij en
onderdrukking, en hoe God ons heeft geleid naar de vrijheid van het
beloofde land. Wij kunnen dat doen op grond van ónze exoduservaring:
door voor de Heer de vruchten van het leven te brengen, met een
dankbaar hart, ook al weten we dat we door veel beproevingen heen
gegaan zijn.
Ik ga nu over naar het evangelie. Ook Jezus heeft
zich in de traditie geplaatst en heeft de beproevingen van de exodus
ondergaan, van die lange tocht van veertig jaar door de woestijn.
Maar hij heeft dat gedaan, zegt Lucas, vol van heilige Geest.
Want hiervoor is Jezus gedoopt in de Jordaan en heeft hij die
indringende woorden gehoord: Jij bent mijn zoon, veelgeliefd, in
wie Ik vreugde vind. Met die stem in zijn hart gaat hij op weg
en wordt door een andere stem op de proef gesteld precies op die
uitverkiezing van geliefde zoon. Want twee keer zegt de duivel: ‘Als
jij zoon van God bent,…’
De eerste beproeving is dan op het gebied van het
materiële. Hoe gaan wij om met het bezit? Want wij willen toch graag
een fatsoenlijk huis om te bewonen, een redelijk inkomen of een goed
verzorgde oude dag, nietwaar? Ja, maar hoe doen we dat? Halen we
alles naar ons toe om het maar te ‘hebben’? De eerste beproeving
roept de vraag op: waarvan leef ik? Wat heb ik echt nodig?
Jezus gaat ons voor met zijn antwoord uit de
traditie en zegt: Niet van brood alleen leeft de mens. Dus,
niet leven van de greep of de roof, maar leven van de geef. Als je
veel bezit, leer om te delen. Als je niet veel hebt, durf dan je
armzaligheid te aanvaarden.
De tweede beproeving gaat over macht en de eer
die ermee gepaard gaat. Ieder mens verlangt naar macht: dat kan zijn
op allerlei terreinen, politiek of kerkelijk. Of zoals in ons
samenleven: je wilt je dat je stem gehoord wordt; dat je invloed
hebt op wat er gebeurt en het beleid mee bepaalt. Maar het gevaar
bestaat dat je geweld gaat gebruiken om jouw wil door te drukken of
dat je uit angst voor je eigen hachje de ander benadeelt. De vraag
dient zich hier aan: wie dien ik? Want de Geest die Jezus
bezielde, zette hem ook aan om invloed uit te oefenen, zodat het
rijk van God gestalte kreeg. Dus we kunnen ons niet onttrekken aan
onze verantwoordelijkheid en onszelf gaan kleineren. Maar wie dien
ik dan?
Jezus gaat ons voor. Hij heeft laten zien, hoe de
Geest van God in hem doorwerkte, door zieken te genezen of mensen
hun zonden te vergeven. Maar dat betekende niet dat hij het
middelpunt, het centrum van alles zou worden. Nee, zegt hij: De
Heer uw God zult u aanbidden, Hem als de Ene, als de Enige in alles.
Tenslotte de derde beproeving. Jezus wordt naar
Jeruzalem gebracht, naar de tempel. Deze beproeving gaat over een
juiste geloofsopvatting van God. Want we kunnen zeggen: Hij heeft
ons toch beloofd dat Hij aanwezig zal zijn? Zijn Naam is: Ik ben met
je. Ik zal er zijn! Op grond daarvan zouden we ervan kunnen uitgaan
dat Hij altijd zijn hulp geeft, altijd tussen beide komt. Vooral als
we in nood verkeren of als het leven moeilijk wordt, zijn we geneigd
te zeggen: Waar is God nu? Waarom komt Hij mij niet te hulp? Deze
beproeving roept dus de vraag op: op wie vertrouw ik? We
mogen erop vertrouwen, dat God nabij is ja, maar niet zonder ons.
Wij mogen erop vertrouwen dat Hij er zal zijn, maar niet zonder onze
verantwoordelijkheid. Wij zijn mens en geen god. Ons leven is soms
kwetsbaar en pijnlijk. Durven wij de pijn aan om het als mens uit te
houden?
Jezus
gaat ons voor. Hij gaat door de beproeving heen en gaat de weg van
de liefde ten einde toe, zelfs door lijden en dood heen. Hij blijft
in alles geloven dat God liefde is.
Ik
persoonlijk vind deze laatste beproeving de moeilijkste. Maar we
hoeven alles niet in één dag te leren. We gaan een periode van
veertig dagen tegemoet, achter Jezus aan, om die beproevingen te
leren doorstaan, op weg naar Pasen, in de hoop dat wij door alles
heen tot nieuw leven komen, zoals onze Voorganger Jezus.
|