|
|
Preken: Lucas 1, 39 - 49
Door Nel van Cuijk, gehouden op 24 december 2006
Dat onze kerken, dat deze gemeenschap de schoot mogen zijn waarin
het Woord mens mag worden
De
Heer wil ik dienen heeft Maria tegen de engel gezegd, de boodschap
van God mag met mij doen, mag in mij gebeuren. De boodschap van God
mag plaats nemen in mij, de ontdekkingstocht naar Gods liefde is
gegaan. In twee vrouwen horen wij vandaag dat zij niet meer zoeken,
niet meer vragen, zij hebben plaats gemaakt voor Gods Liefde, in hun
lichaam, in hun hele leven. En Maria vertrekt met deze boodschap in
haar lijf, met grote haast door het bergland en ze bezoekt Elisabeth
die andere vrouw die plaats gemaakt heeft voor Gods woord.
Wat
kan een reden zijn om met zo’n grote haast te vertrekken? Wanneer
zet een mens spoed achter iets? Uit ervaring weet ik en jullie ook
dat er vaart achter iets gezet wordt als er iets ernstigs aan de
hand is, als er een levensbedreigende situatie is, als iemand
spoedeisende hulp nodig heeft.
Anderzijds hebben mensen ook haast als er iets heel blijs is gebeurd
of te gebeuren staat. Het goede, het blijde nieuws gaat als een
lopend vuurtje rond.
Bij
Jesaja hebben we gelezen over de vreugdebode die over de bergen aan
komt snellen, die goed nieuws brengt en vrede aankondigt. En in het
Hooglied hebben we ook al horen vertellen over iemand die over de
bergen aankomt rennen, hij is de geliefde, de bruidegom en de bruid
ziet hem met de ogen van haar hart aankomen. Zo in dat ene zinnetje
wordt Maria getekend als de vreugdebode van God, als de bruid die
wacht op haar bruidegom. Als de liefde die zichtbaar, tastbaar
geworden is. Zo komt ze bij Elisabeth aan.
En
zoals zo vaak tussen vrouwen gebeurt, Maria hoeft niets te zeggen,
Elisabeth heeft het meteen begrepen, deze vrouw is vol van God, vol
van vrede, vol van goed nieuws. Wat ben jij begenadigd zegt ze, wat
ben jij gezegend met die vrucht in je schoot. Dat je het geloofd
hebt! Gelukkig de vrouw die gelooft.
Twee vrouwen vol verwachting, in verwachting en
die ontmoeting is zo zonder franje, zo puur dat er niets anders kan
gebeuren dan het ontspringen van een totale vreugde. Totale vreugde
omwille van wie geboren gaat worden, totale vreugde omdat zij zich
alle twee begenadigd ervaren, begenadigd weten. En dan zingt Maria
haar lied zoals ook Hanna dat gezongen heeft, dat lied dat de God
van Israël telkens weer opnieuw begint en daar vrouwen voor
uitkiest. Dat lied klinkt telkens als de geschiedenis vastloopt
omdat de zaak door man en macht verloederd is: “Mijn ziel prijs hoog
de Heer, verrukt is mijn geest over God mijn schepper want machtigen
haalt hij omlaag van hun troon en eenvoudigen brengt hij tot
aanzien.”
En daar bij Elisabeth vertelt Maria wat zij
gebeden heeft. Ik geloof dat Maria hem dit gebed ingefluisterd
heeft. Luister naar dit gebed van Maria, opgeschreven door Bernardus
van Clairvaux:
God
van onze vaderen: Uw woord geschiedde aan mij, maar ik smeek U: niet
een woord dat uitgesproken wordt en vervliegt, maar een woord dat
binnenkomt en blijft, een woord dat lichaam om zich heen heeft, niet
alleen maar lucht.
God
van Israël: Uw woord geschiedde aan mij, niet alleen als een woord
dat ik met mijn oren kan horen, maar ook als een woord dat mijn ogen
kunnen zien, mijn handen kunnen voelen, mijn schouders kunnen
dragen. Laat het niet een geschreven en onbeweeglijk woord zijn,
maar een woord dat lichamelijk is en levend: ik bedoel niet een
woord dat in onhoorbare lettertekens op dood papier geschreven
staat, maar een woord dat in de gedaante van een mens, levend in
mijn schoot wordt gedrukt: niet met een levenloze pen, maar doordat
heilige geest op mij inwerkt. Zo zou het woord zijn werk aan mij
mogen doen , niemand voor mij en niemand na mij zal dat op die
manier meemaken.
Natuurlijk in vroegere tijden heeft God vaak en op allerlei manieren
tot onze voorouders gesproken door de profeten. Sommigen, zegt men
hebben Gods woord gehoord in hun oor, anderen hebben het in hun mond
geproefd, enkelen voelden het in hun hand. Maar ik hoop en bid dat
ik het woord – U hebt het beloofd – in mijn schoot zal voelen. Ik
wil niet dat het mij kunstig gepreekt wordt, of dat het mij in
beelden wordt voorgetoverd, of dat ik er visioenen over krijg – nee,
ik hoop dat het mij zonder geluid te maken wordt ingeblazen, dat het
een persoon, een mens wordt, lichamelijk in mijn lichaam.
Met
Maria, met Bernardus bid ik dat onze kerken, dat deze gemeenschap de
schoot mogen zijn waarin het Woord mens mag worden.
|