|
|
Preken: Lucas 1, 39 - 46
Door Tineke Renkema
Gezegend ben jij
Het is de 4de en
laatste zondag van de advent. Tijd van wachten, verwachten, van
uitzien naar het licht. God is liefde, mensgeworden liefde, zo
zeiden wij aan het begin van deze adventstijd. Wordt er al iets
zichtbaar?
In het evangelie,
zoals we het vandaag hebben gehoord, is het bepaald niet moeilijk om
voortekenen van deze mensgeworden liefde op 't spoor te komen.
De evangelist Lucas vertelt ons van een intense ontmoeting tussen
twee vrouwen in blijde verwachting, Maria en Elisabeth. In de
verhouding tussen deze twee vrouwen tekent zich reeds de verhouding
af tussen hun nu nog ongeboren kinderen, Jezus en Johannes.
Johannes, die Jezus aan zal wijzen als diegene die krachtiger is dan
hijzelf, als mensgeworden liefde. Jezus, die zich door deze Johannes
zal laten dopen.
Het verhaal van twee aanstaande moeders, zo verbonden met God, zich
zo verbindend met elkaar, dat deze kinderen, vanaf de moederschoot
in deze verbondenheid geheiligd worden.
Het verhaal van
twee vrouwen, die elk begenadigd zijn.
Elisabeth, een rechtvaardige vrouw, zo wordt over haar verteld, een
vrouw die recht doet en tot recht laat komen, een vrouw te oud om
nog op een kind te durven hopen, een vrouw die daaronder leed. Want
elke vrouw in Israël leeft met de hoop, dat de geboorte van ieder
kind de komst van de Messias dichterbij brengt. En wie zou niet
verlangen, dat je door jouw schoot heen daaraan leven mag geven?
Elisabeth, tegen alle verwachting, ondanks haar leeftijd, toch
zwanger van een kind, een bijzonder kind dat voor de Messias uit zal
gaan, zo werd door de engel aangekondigd. Zij heeft haar antwoord
gegeven op dit zo door God begenadigd zijn: "Dit heeft de Heer voor
mij gedaan"!
Maria, staande in een nog niet bevestigde relatie, te jong, maar
ondanks dat verstaat zij toch het woord van God: Jij, gezegende, de
Heer is met je, je hebt genade gevonden bij God. Ook zij gaf haar
antwoord: "Mij geschiede naar uw woord". Een woord van overgave, een
volkomen ja!
Twee vrouwen, die amen zeggen op het gezegend zijn.
Twee vrouwen die geloven dat zij begenadigd zijn.
En dan zo lezen wij vandaag, staat Maria op en haast zich met grote
spoed naar Elisabeth, die ook zwanger is, zo werd aan Maria door de
engel verteld. Maria wordt zo als het ware naar haar verwezen.
Dat onmiddellijke opstaan, duidt iets aan van het groot belang om te
gaan. Maria lijkt te worden gedreven.
Gezegend zijn door God vraagt om te worden gedeeld met de ander, zo
laat Maria mij zien.
Elisabeth reageert even onmiddellijk op de groet van Maria,
begenadigd door diezelfde God. En haar kind springt op in haar
schoot, reagerend op haar diepe bewogenheid.
Vijf maanden heeft Elisabeth zich verborgen gehouden, zo werd eerder
door Lucas verteld, vijf maanden in stilte, waarin niet alleen haar
kind is gegroeid. Door de groet van Maria wordt geopend, wat
gegroeid is in haar hart en in haar ziel, onstuitbaar! Aangeraakt
door God, vruchtbaar geworden, geeft Elisabeth aan Maria het meest
kostbare wat er is: Ze zegent haar en haar kind.
De zegen, die Maria van God ontvangen heeft, krijgt zo in Elisabeth
een menselijk gezicht.
Het brengt grote vreugde teweeg. Waar Maria op haar begenadigd zijn
eerder antwoordde met een diepe overgave, wordt in haar nu door deze
menselijke bevestiging een grote vreugde open gemaakt.
En echte vreugde valt te herkennen, doordat zij onbedwingbaar
onstuitbaar terugkeert naar de Bron van alle genade, van alle zegen:
"Met heel mijn hart roem ik de Heer, met al mijn adem juich ik om
God, mijn redder".
Dit verhaal laat
ons iets zeer fundamenteels zien.
Van God uit is er de zegen en het begenadigd zijn. Beide vrouwen
laten ons zien hoezeer zij deze zegen ontvangen, hoe zij geloven
aanvaard te zijn in al hun gebrekkigheid, te oud, te jong enz. Zij
laten zien ook hoe deze zegen tussen hen in werkzaam is.
Wij, mensen, raken vervreemd van God en van onszelf, omdat wij ons
isoleren. Zo'n isolement ontstaat, omdat wij weigeren te geloven,
dat wij aanvaard zijn om niet, dat wij genade vinden in Zijn ogen.
Steeds weer ondernemen wij pogingen om onszelf genoeg te zijn en ons
van waarde te doen zijn door eigen werkzaamheid, door eigen
prestaties, door zo ons best te doen.
De belangrijkste oorzaak van het duister, waar geen licht doorheen
komt, is ons onvermogen, onze angst om te ontvangen. We zoeken
onszelf te bevestigen, maar het brengt geen leven voort.
In de beweging van het ontvangen van zegen, het aanvaarden aanvaard
te zijn wordt een mens een mens in relatie, een mens zoals bedoeld
en opent hij de weg naar verbond.
Deze twee vrouwen, zich openend voor de Heilige, ontvankelijk voor
zegen en genade om niet, laten in een voortgaande beweging, in een
beweging van Heilige Geest, zien hoe zij zich openstellen voor het
heilige in elkaar. Opnieuw zien wij, nu van mens tot mens, hoe de
zegen gegeven en ontvangen wordt. Gods zegen krijgt een menselijk
gezicht. En een vreugde dat dat geeft!!
De ontmoeting tussen deze twee vrouwen: Een
lichtend beeld. Een elkaar zegenen en bemoedigen, een gebeuren van
mens tot mens, maar niet vanuit de mens: Gods aanschijn die zo over
mensen licht en ons diepe vreugde en vrede geeft, zoals wanneer een
kind opspringt in je schoot.
Zo wachten we de
geboorte van een nieuwe gemeenschap, een beweging van mensen die
vanuit het ontvangen van Gods zegen aan elkaar de zegen niet
onthouden:
Gezegend ben jij om je warmte,
gezegend ben jij om het werk van je handen,
gezegend ben jij om je kritisch vermogen,
gezegend ben jij om je stilte, je eenvoud.
Elkaar de zegen geven en dit beamen. En dat is misschien nog
moeilijker dan geven.
Dit beamen is van vitaal belang. Pas dan is de brug geslagen, pas
dan is er de relatie, opent zich de weg naar verbondenheid
We wachten de geboorte van een nieuwe
gemeenschap: Geloven en je hart eraan geven! Dankbaar voor de
vreugde die dat geeft, want het is hier en daar, zo nu en dan,
zichtbaar tussen ons.
Ons geschiede naar Zijn woord!
|