|
|
Preken: Lucas 2, 16 - 21
Door Niek Werkhoven
Nieuwjaarswens
Terecht wensen wij elkaar een gelukkig, een zalig
of een gezond nieuwjaar, want het zijn van die momenten, waarop het
leven weer open ligt en we kunnen vergeten wat achter ons ligt en
reikhalzend uitzien naar wat voor ons ligt. We weten immers dat het
niet om glitter en glans gaat, maar om het leveren van een bijdrage
aan het leven. En terecht kunnen we een jaar afsluiten met de zegen
en een volgend jaar beginnen met de zegen. Wat er dan gebeurt – want
het gebeurt, het geschiedt – vat Paulus samen in die kernachtige zin
"God, de bron van het leven, heeft de Geest van Zijn Zoon, die
uitroept ‘Abba, Vader’ in ons hart gelegd. Daarmee wordt heel dat
leven van Jezus getekend, zijn ervaring: ‘abba, vader’.
Maar waar gaat het
dan over? Het lijkt me dat Lucas dit op zijn eenvoudige, maar o zo
rake manier vertelt in dit evangelie. We moeten het even ontdoen van
al die romantische franjes, die het kerstverhaal misschien opgelopen
heeft, en luisteren. De herders haasten zich, horen we, zoals Maria
zich ook haastte, toen ze het woord gehoord had. Deze haast, blij,
warm en vol, kunnen ze niet voor zichzelf houden. Maar er is nog
meer. Juist omdat ze het woord gehoord hebben, gaan ze voorbij aan
alle bedenkingen en alle aarzelingen van "hoe kan dit geschieden?"
of van "het is wel mooi, maar …" En dat wil Lucas ons ook op deze
eerste dag van een nieuw jaar vertellen. Er is een geschiedenis, die
grote geschiedenis van Augustus, Quirinius en Pontius Pilatus, die
grote geschiedenis van een Bush en een Poetin, van een Barak en een
Arafat, en er is een tegengeschiedenis van mensen zoals Joseph en
Maria, een tegengeschiedenis, waar het in het leven écht om gaat. En
waar het om gaat is het horen van dat woord van de Heer, ‘abba,
vader’, het zo in de werkelijkheid, ja zelfs tegen de werkelijkheid
in volhouden om te zeggen ‘abba, vader’, en dat zonder te meten,
zonder onze menselijke maat op te leggen, maar gewoon te gaan en die
vreemde, onmogelijke woorden ‘redder, messias, heer’ te vinden. Je
kunt denken aan die psalmwoorden, zoals Jezus ze ook gebeden heeft:
"Ik wil horen wat de Heer zegt; vrede is het woord van de Heer."
Vrede, sjaloom: daarin vallen de woorden redder, messias en heer
samen. Deze ‘sjaloom’ is het, die vreugde ervoor behoedt om
oppervlakkig plezier te worden, die het leven glans en grond geeft
en die doet leven in en met vrede.
En dan horen we
dat het onze opgave niet is om een paradijs op aarde te scheppen,
maar wel om te staan waar je staat en deze vrede te stichten. Dat
zijn geen woorden van een vrome monnik in zijn kluisje, maar dat is
gezegd door Korthals Altes en die zou het kunnen weten. Meer dan wie
ook weet hij wat er in de wereld voorhanden is en hij spreekt van
die praktisch onmogelijke opgave en die geweldige teleurstellingen,
die we als mensen dan oplopen. En toch ‘abba, vader’: er ís een
macht, die geschiedenis maakt.
Lucas gaat verder.
Wanneer deze herders zo op weg gaan, vinden ze het woord. Het woord
is een kind in de kribbe, een prachtig beeld van toekomst. Maar als
wij kiezen voor en ons richten op die andere orde, die orde van
vrede, is dat dan zo ver verwijderd, dat we bang worden, omdat we
geen kind in de kribbe, maar zoveel grijze hoofden vinden? Is dat
een belemmering voor toekomst, om open die weg te gaan? Wat Lucas
ons wil zeggen is dat het erom gaat om het woord te horen en dan te
zien, om het woord te horen en dan anders te gaan kijken. Ja, dit
maakt de mens gelukkig en dit geluk kunnen we met elkaar delen en
verder dragen, ook al lijkt De Hooge Berkt wel zo’n David tegenover
een Goliath. Het hangt er echter wel van af of wij zo deze vrede
onderkennen dat wij in beweging blijven en durven te veranderen.
Durven wij in die lijn te gaan staan en durven wij die weg te
voltrekken, zoals Abram Abraham werd, zoals Jacob Israël werd en
zoals slaven een vrij volk werden?
Dat is die
ongekende, maar niet onbekende geschiedenis, ziende het onzienlijke.
Dan hoeft het geluk dat we hier niet in een situatie staan zoals in
Israël of Sri Lanka ons geen schaamrood op de kaken te bezorgen,
want dit geluk en deze vrede, die we hier met elkaar kunnen leven,
is een zegen voor állen, voor alle volkeren, ook voor Afghanistan of
Colombia, wanneer we het vruchtbaar maken. Het gaat in deze tijd en
in deze werkelijkheid om ‘abba, vader’ naar elkaar toe, ook als we
niet goed in het vel zitten, ook als er zoveel nieten zijn. Het gaat
om ‘abba, vader’, die vrede spreekt en vrede wil geven. Misschien
hebben we dan in het gebed minder te vragen en wellicht nog veel
minder te zeggen en kan dan in ons doorklinken wat de Heer zegt.
Vrede is het woord
van de Heer. Het is het kind in de kribbe, de als misdadiger
gehangene aan het kruis, het is het begin en het einde, maar
daartussenin is dat spreken van God mens geworden, een levend mens,
een mens die geschiedenis maakt, die die lichtpuntjes in de loop van
de tijd in de harten van mensen neergelegd heeft. We mogen deze
geest en dit licht nú weer ontvangen. We mogen het nu weer meenemen
onder voorbijzien aan "wat moeten we dan allemaal?" en "kunnen we
dat wel?" Geloof het: het gelukkige, het zalige, het gezonde leven
wordt ons gegéven en toegewenst.
Zo moge het zijn.
|