|
|
Preken: Lucas 2, 1 - 14
Door Nel van Cuijk
Kunnen wij die hoop gestalte geven?
Kerstmis 2000
En het geschiedde
in de dagen van Adam tot Maria; het geschiedde in de dagen van
Jezus; het geschiedde in de dagen vanaf Jezus tot in onze dagen.
Namen van mensen, gewone, bijzondere mensen hebben we hier vanavond
binnengebracht. Net zo gewoon en net zo bijzonder als de 66
verschillende gezichten die we in de adventstijd in ons midden
hebben gezet. We hebben er naar gekeken, omdat we willen leren leven
met verschillen. Vanmiddag hebben we die poster weggedaan. Nu hebben
we drie beeldjes geplaatst: een man, een vrouw, een kind. En of we
het kunnen, leven met verschillen, zal de nieuwe eeuw ons leren.
We staan op de
drempel van de eenentwintigste eeuw. De tweede helft van de
twintigste eeuw heeft mij, en ik denk velen van ons, aan het
duizelen gebracht. De wereld is driedimensionaal geworden. Tv,
telefoon, computer en communicatietechnologie die nog in
ontwikkeling is, en waar wij vijftigers ons nog bijna aarzelend in
begeven, is voor hen die na ons komen gemeengoed geworden. In onze
westerse wereld hebben we niet één tv, telefoon of computer per huis
of gezin maar meerdere. De telefoon die in mijn jeugd nog in de hal
hing, zit nu in onze binnenzak. Met ongeveer de snelheid van het
licht kunnen we communiceren over de hele wereld.
De rijkdom van deze communicatietechnologie heeft de wereld voor ons
geopend en ons meer en grondiger zicht gegeven op de enorme
verschillen in de wereld. Verschillen in cultuur en ontwikkeling,
verschillen tussen arm en rijk, honger en overvloed, verschillen in
vrede en oorlog. Globalisering, economisering, individualisering,
verworvenheden van de laatste vijftig jaar zullen zeker doorgaan in
de 21ste eeuw.
In onze dagen is
de dolle mens die Nietzsche in de negentiende eeuw liet opdraven en
die schreeuwde: ‘Ik zoek God, ik zoek God’, dood en begraven. De
tweede helft van de twintigste eeuw heeft God dood verklaard,
morsdood. Nu aan het begin van de 21ste eeuw mag het weer, komt God
aarzelend nog in enkele mensen aan het licht, tot leven.
Misschien!! Want tegelijk lees ik in de krant dat we een gebeurtenis
gedenken waar we niet meer in geloven. We geloven niet in de
geboorte van een almachtige God in mensengedaante in een stal in
Bethlehem. Het christendom, zo lees ik, is vol mythen die ons te
geloven worden voorgehouden en geen recht doen aan ons intellect. En
de geestelijken van onze kerken, zo lees ik in dezelfde krant,
hebben de rijke liturgische tradities zo verkwanseld , dat het
zichzelf wegvaagt. Onze kerk haalt de krant met haar bemoeizucht
rond condooms, alsof zij weet hoe je een epidemie moet bestrijden.
In deze wereld
staan we en dit is tevens de wereld die ons uitdaagt de hoop niet op
te geven. Een wereld die vraagt dat we de verschillen tussen mensen
eerbiedigen door werkelijk wereldburgers te worden en het goede van
onze aarde te breken en te delen.
Kunnen wij die hoop gestalte geven? Verschillen tussen mensen
eerbiedigen? Kunnen we dat, willen we dat in en door deze
gemeenschap, en daarbuiten? Geloven we dat een puntje niets, een
plekje zo klein, misschien nog wel kleiner dan een mosterdzaadje, er
iets toe doet in deze wereld? Hebben wij in de 21ste eeuw nog
bestaansrecht, is er nog een noodzaak dat wij als gemeenschap, als
kerk, bestaan? Een vraag waarop ik het antwoord niet weet.
In deze dagen en
met deze vragen leven we. Wat doen wij dan vannacht dat antwoord kan
geven op de vraag de hoop niet op te geven? We vieren een antwoord,
dat zie ik tenminste, als we durven geloven wat we vannacht hier
doen, wat we vannacht hier present stellen. Want we hebben de grote
uitvinders, de mensen van het grote geld, de mensen van het grote
geweld, de keizers en koningen van onze tijd, de mensen van het
grote weten niet genoemd vanavond.
We hebben mensen de revue laten passeren die - plaatselijk en klein
of wereldwijd, toen en nu bijna onzichtbaar voor het alziende oog
van tv en computer - een ding gemeen hebben: ze hebben zich ontfermd
over elkaar, over kinderen en zieken, over armen en slachtoffers.
Wij hebben hun namen genoemd, een kaarsje aangestoken, een licht
doen branden, als een vuur dat nooit meer dooft. We hebben drie
figuren in ons midden gezet: weerloos en kwetsbaar.
Een man, een vrouw, een kind. Geloven we dan echt
dat God altijd daar weer leven brengt, hoop en verwachting, daar
waar een man en een vrouw, een vriend en een vriend, een autochtoon
en een allochtoon, een gezonde en een zieke, een arme en een rijke,
een vijand en een compagnon, zich over elkaar ontfermen zoals dat in
deze drie beeldjes wordt uitgedrukt? Horen we daarom dat de
boodschap van nieuw leven, van vrede op aarde, het eerste gehoord
wordt door herders, door mensen die zich als herder willen gedragen.
Mensen die in het veld, in de hardheid van het leven geleerd hebben
leven te hoeden, leven te beschermen, over het leven te waken?
Hoeveel herders
zijn er in deze wereld? Ik las bij Oosterhuis: tel ze maar als je
dat kunt, tel maar de sterren aan de hemel. Ze zijn toen en nu
ontelbaar, een lange stoet door de eeuwen heen. Met Jezus als de
koploper van deze lange stoet.
En wij, wij zouden niet hier zijn als we niet wisten dat tot op de
dag van vandaag mensen doen wat hij gedaan heeft. Wij zijn hier
omdat we inzetten op die mens van wie we zingen dat hij is: mens als
wij, God als Gij.
Wij zijn hier omdat we geloven dat God in het hart van gewone kleine
mensen een vuur kan ontsteken, een vuur van hoop, liefde en vrede en
daarom: Zalig kerstfeest, voor ons allen.
Zalig en gezegend kerstfeest voor U allen.
|