Preken: Johannes
13, 31 - 33a
+ 34 - 35
Door Tineke Renkema, gehouden op
2 mei 2010
Van ego-land naar ander-land
Vandaag worden we
door de evangelist Johannes weer meegenomen naar het verhaal, waar
Jezus met de leerlingen voor het laatst aan tafel zit. Woorden en
gebaren van afscheid, als geestelijk testament voordat Jezus zijn
Nacht ingaat. Woorden, die nu klinken tussen Pasen en Pinksteren,
alsof we in het kerkelijk jaar teruggaan. Wellicht worden ze ons nu
opnieuw gegeven omdat het een verdichting is van wat Hem bezielde en
ons zo opent voor zijn Geest, Heilige Geest.
Jezus heeft de
leerlingen de voeten gewassen: Nog één keer dat gebaar waar heel
zijn leven in samenkomt. Al zijn leerlingen, niemand uitgezonderd.
Hij wast ook de voeten van Petrus, die hem zou verloochenen, ook van
Judas die hem zou verraden, ook van de overige leerlingen die niet
bij hem zouden blijven in Zijn Nacht. Hij kent ze beter dan zij
zichzelf kennen.
En dan toch gaat
Judas de nacht in: kennelijk voor de liefde onbereikbaar geworden,
zijn ziel gepantserd, de nacht in van het verraad. Een heel andere
nacht dan die Jezus nu ingaat.
Want de nacht die
Jezus ingaat is de nacht, waarover hij zegt dat de Mensenzoon
verheerlijkt wordt en in hem God. Juist in zijn nacht, ziet deze
mens dé mogelijkheid om te laten zien, om zichtbaar te maken dat
zijn leven onlosmakelijk en onverbrekelijk verbonden is met God:
Wie mij ziet, ziet
de Vader, Ik ben van Ik Ben. Niets, geen nacht komt tussen deze
liefde, alle gevoelens van godverlatenheid ten spijt. Volgehouden
liefde!
Wie van ons zou het
wagen om zo de nacht van de mens als uur van verheerlijking van God,
aan te duiden? Verheerlijking als iets wat boven alles uitstijgt?
Door heel het
evangelie van Johannes loopt dit spoor. In het verhaal van de
blindgeborene horen we hem zeggen, dat het er om gaat dat door de
nacht van blindheid Gods werk zichtbaar wordt. In het verhaal van
Lazarus horen we hem zeggen: Deze ziekte loopt niet uit op de dood,
maar op de eer van God. En hier op het moment dat Hij zijn nacht
ingaat: dit geestelijk testament; deze Godverbondenheid.
Wagen wij ons in
onze nacht ons te enten op deze verbondenheid?
Godverbondenheid als
antwoord voor als het erop aankomt. Maar die verbondenheid in
nachtervaringen is er doorgaans niet opeens. Het komt niet uit de
hemel vallen. Nou ja, uiteindelijk misschien wel. Uiteindelijk wordt
het immers gegeven, is het genade. En toch moet het ook gaandeweg
worden opgebouwd.
Hoe? Jezus wijst ons
de weg: ‘Kinderen, een nieuw gebod geef ik jullie: Heb elkaar lief.
Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben.’
Zo kan Godverbondenheid dus groeien: Door het aloude gebod over de
liefde nieuw te maken. Hij maakt het nieuw doordat hij de liefde van
God toevoegt, zichzelf toevoegt en op de allereerste plaats zijn
leerlingen met deze liefde omgeeft! Hij vraagt de leerlingen op hun
beurt die liefde, die zij van hemzelf ontvangen hebben, toe te
voegen en daarmee elkaar te omgeven. Zo enten ze zich op de liefde
van Jezus en zo op de liefde van God
Voor mij betekent
dat nu: Ga na waar je in je leven liefde hebt ontvangen, hoe klein
het ook was en voeg deze unieke liefde toe op jouw eigen unieke
wijze, hoe gebrekkig dat ook is. Zo wordt het ons gegeven worden dat
wij met Hem verbonden raken, met God verbonden raken. Verbondenheid
die het houdt in de nacht!
Liefhebben: Dat is
alles! Het enige wat het mogelijk maakt door de nacht te gaan. Kan
er nog iets nieuws gebeuren na Jezus?
Ja! Wanneer wij dus
onszelf toevoegen. En wij kunnen onszelf alleen toevoegen, wanneer
we beseffen
- dat God de eerste
is die ons liefheeft
-dat ons leven één
grote oefening is met vallen en opstaan
- dat liefhebben
vele gezichten heeft
- dat tot ons
doordringt dat het een gebod is en dus als mogelijkheid gegeven.
Elkaar liefhebben:
Zijn geestelijk testament: van ego-land naar ander-land. Hoe zal dit
toch geschieden? Elke keer is het toch weer zoeken, hoe ik kan
oversteken.
Liefhebben is
misschien wel als eerste aandacht. In de aandacht ben ik zelf
aanwezig, zonder met mijzelf bezig te zijn en krijgt de ander de
ruimte om aanwezig te komen. In al de verhalen over de ontmoetingen
van Jezus met mensen zie ik hoe Jezus aanwezig is en hoe mensen
daardoor aanwezig komen die hij ontmoet, met al hun goed en kwaad.
Ook in zijn gebaren: Zo wast Hij zijn leerlingen de voeten. Hij
drukt daarmee niet alleen zichzelf uit en komt zo zelf aanwezig,
maar ook die voeten zullen door die zuivere aandacht zich altijd
herinneren: Hij heeft ons lief.
Aandacht is
liefhebben! Maar de realiteit gebiedt mij te zeggen: Ik kan het vaak
niet. Ik kan iemand niet volgen, ik kan de brug niet slaan, ik heb
die aandacht niet om wat voor reden dan ook. Wat dan? Ik kan me
richten op diegene die door zijn aandacht de ander wel aanwezig doet
komen en ik kan besluiten daar niet tussen te gaan staan. Soms is
liefhebben dan ook: terug gaan staan, terug moeten staan! En dat
verdragen!
Elkaar liefhebben is
aandacht. Alle aandacht ons gegeven kunnen we toevoegen. Ik ben
ervan overtuigd dat elk aandachtig gebaar in ons lichaam wordt
ingeschreven, dat elk woord waar met eerbied naar is geluisterd in
onze ziel wordt opgenomen. Dat is wat aandacht bewerkstelligt: Weten
hoe kostbaar je bent in iemands ogen, Gods ogen. Dit geschenk
rechteloos ontvangen en delen. Zijn geestelijk testament!
Mogen we zo toeleven
naar de komst van Heilige Geest. |