Preken: Johannes
8, 1 - 11
Door Tineke Renkema, gehouden op
21 maart 2010
Hij schrijft in in ons geweten
Jezus gaat vandaag
opnieuw naar de tempel in Jeruzalem, terwijl de confrontatie met de
religieuze leiders toeneemt. Het hele volk komt weer naar hem toe om
zijn onderricht te horen. Het héle volk? Zoveel riep hij dus
op met zijn onderricht: radicaal, bevrijdend en met gezag, omdat hij
deed wat hij zei. Een onderricht, waarbij het niet gaat om de letter
van de wet, maar om de vreugde van die wet zichtbaar te maken.
Vandaar die confrontatie met de religieuze leiders. Hun taak immers
was het erop toe te zien dat de kostbare traditie werd bewaard en de
wetten nageleefd.
Vandaag weer zo’n
confrontatie. Laten wij proberen ons zelf in de ruimte van dit
verhaal te begeven. Al is het maar door in de tempel tussen het volk
te gaan zitten om met onze eigen ogen te zien wat zich daar
afspeelt.
Een vrouw wordt
binnengebracht door Schriftgeleerden en farizeeën. Ze is door hen
betrapt op overspel. Misschien hebben wij wel last van
plaatsvervangende schaamte en springt haar angst op ons over, als
wij hiernaar kijken. Wellicht vragen wij ons af waar de man is. Gaat
hij vrij uit? In de wet staat wel degelijk dat beiden, man én vrouw,
moeten worden gestraft.
We horen de
Schriftgeleerden en farizeeën vragen aan Jezus: ‘Volgens de wet van
Mozes moet deze vrouw worden gestenigd. Wat zeg jij?’ Je voelt het,
terwijl je daar op het tempelplein zit, direct: Hier gebeurt iets!
Het gaat niet om deze naamloze vrouw, deze vrouw die met kille
verachting lijkt te worden omsloten. Het lijkt erop dat het de
vraagstellers er niet in de eerste plaats om gaat op te komen voor
liefde, voor trouw, voor eerbied. Het gaat erom om Jezus klem te
zetten. Deze vrouw is de steen waarover Jezus moet struikelen. Wat
voor antwoord hij ook geeft: het zal reden zijn om hem onderuit te
halen, want:
als Jezus instemt
met de steniging, dan verloochent hij zijn roeping er te zijn voor
tollenaars en zondaars, zijn naam als de Barmhartige;
als Jezus haar het
leven gunt, overtreedt hij de wet van Mozes en kunnen de joodse
leiders hem aanklagen.
Het wordt stil op
het tempelplein.
Dan zien we hem
bukken en iets in het zand schrijven. We kunnen het niet lezen. We
zien alleen het gebaar. En toen ik diezelfde beweging nadeed om in
te voelen wat er dan gebeurt, beleefde ik het als een gebaar van
iemand die het contact verbreekt met wat buiten hem is en zo in
zichzelf keert. Het gebaar van iemand die iets in zichzelf leest en
dat vervolgens in het zand schrijft. En wat in het zand wordt
geschreven, zal ook weer door de wind worden weggevaagd. Alsof hij
daarmee zeggen wil: Niets is absoluut!
Als ik kijk naar
Jezus, schrijvend in het zand, kan dit mij als aanwezige op het
tempelplein ertoe brengen om op mijn beurt tot mijzelf te komen.
Maar dat is niet wat er met de religieuze leiders gebeurt.
Integendeel: zij blijven bij hun verraderlijke vraag. En dan zegt
hij die ene zin, die hij wellicht in zichzelf heeft afgelezen: ‘Wie
zonder zonde is, werpe de eerste steen.’ Jezus geeft zo het volle
gewicht aan de wet. Hij erkent de zonde. Het kwaad wordt niet
verdoezeld. Dat is heel wezenlijk. Maar tegelijkertijd worden de
vraagstellers nu niet alleen door het gebaar, maar ook door deze
woorden ‘wie zonder zonde is, werpe de eerste steen’ opgeroepen om
bij zichzelf te rade te gaan.
Jezus roept, zo heb
ik het verstaan, op om naar binnen te gaan, naar die heilige ruimte
waar Gods wet is geschreven: in die ruimte waar je beseft dat je
zelf onder die wet staat. Waar je te maken hebt met heilige
verontwaardiging als er onrecht gebeurt. Maar ook: waar je weet hebt
van schuld als je zelf tegen die wet handelt.
En dan nog een keer
datzelfde gebaar: Hij bukt en schrijft in het zand. Weer wordt het
stil. Ik kijk er opnieuw naar en denk: hij schrijft in in hun
geweten; hij schrijft in in mijn geweten!
Dit betekent voor
mij:
als ik me met de
wet bezighoud, als ik oordeel, dan moet ik goed weten, dat dat in de
eerste plaats vragen stelt aan mijzelf, mijn eigen leven, aan mijn
eigen hart.
De Schriftgeleerden
en farizeeën lopen weg, nu zij zo door Jezus zijn aangesproken.
Reageren zij met
schuld en schaamte of toenemende woede? We weten dat niet. We weten
wel dat zij niet blijven staan om hun zonde te belijden, om
vergeving te vragen over de hardheid van hun hart. Want dat zou
wel een mogelijkheid geweest zijn: ze hadden naar Jezus toe
kunnen komen! Ze deden het niet! Hun weg zal gaan van kwaad tot
erger, het zal uitgroeien tot haat, tot moord.
En de vrouw? Ook
zij had weg kunnen lopen, want de aanklacht tegen haar is vervallen.
Maar Jezus heeft ook in haar geweten ingeschreven. Ik zie dat zij
blijft staan: oog in oog met Hem. Zal Hij haar alsnog veroordelen?
‘Ook ik veroordeel u niet. Ga naar huis en zondig niet meer.’ De
zonde wordt wel degelijk als zonde aangemerkt. Er is wel een
oordeel, maar geen veroordeling. Er is geen vrijbrief, maar wel
vrijspraak!
We staan op het
tempelplein en hebben het zien gebeuren en als wij naar huis gaan
kunnen we iets overwegen als:
Hij schrijft in in
ons geweten. Wij moeten niet weglopen van die stem, die ons in zijn
Naam aanspreekt. Wij moeten er zelf ook niet van weglopen om aan te
spreken. Als het erom gaat om Hem achterna te willen gaan, dan
moeten wij niet van elkaar weglopen, dat moeten we niet elkaar maar
laten.
Maar: er is een
belangrijk criterium op grond waarvan we moeten luisteren of kunnen
spreken. En dat is: Of er zich in die handen van die ander of in
mijn eigen handen stenen bevinden. Echter, als er maar iets op
wijst, dat die handen bereid zijn in het zand te schrijven, dan is
er die mogelijkheid om te blijven staan, oog in oog. Dan komen die
grote woorden van Jesaja, gesproken in ballingschap, die grote
woorden door Jezus geleefd: ‘Zie ik ga iets beginnen….’ tot leven.
Opnieuw, opnieuw en opnieuw tot op de dag van vandaag.
Mogen we staan
onder dit woord!
|