Foto: Evangelie volgens Johannes
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot


Preken: Johannes
6, 60 - 69

Door Renkema-Boersma, gehouden op 23 augustus 2009

 

Als de nacht komt: Naar wie zal ik anders gaan?

 

Vandaag lazen we het laatste gedeelte van het hoofdstuk over het brood. En waar het een paar weken geleden zo vreugdevol begon daar is het de daaropvolgende keren steeds pijnlijker geworden.

Toen ik het hele hoofdstuk teruglas, kreeg ik steeds sterker het gevoel: Het gaat me ver te boven, ik kan er niet bij. Ik kan enkel en alleen wat kruimels oprapen en die met jullie delen.

 

Eerst even terug naar wat vooraf ging: Daar was het teken van de broodvermenigvuldiging. Jezus bevindt zich op de berg. Hij is gastheer: bewogen om mensen, die honger hebben, die verlangen bezield te leven. We waren als het ware even in beloofd land. En de vraag was en is: zal dit teken begrepen worden?

Daarna was er de oversteek van het meer. Er is sprake van diep water en donkere nacht. Het leven voor de leerlingen kreeg in afwezigheid van Jezus spookachtige dimensies. Juist dan doen ze de ervaring op van Jezus als drager van de Naam van God: Ik ben het. En de vraag was en is: Zullen zij/wij in Hem geloven?

Na de berg, het meer zijn we nu in de synagoge, plaats van samenkomst, om naar het woord van God te luisteren. Er is een steeds scherper wordende discussie gaande, vorige week met het joodse volk en nu vandaag met de leerlingen zelf, waarbij het gaat om de identiteit van Jezus. En de vraag was en is en zo klinkt ze vandaag: Zullen zij, zullen wij bij hem blijven op zijn weg?

 

Ook volgens de leerlingen worden er door Jezus harde woorden gesproken, waarnaar eigenlijk niet te luisteren valt. Welke woorden spreekt hij toch, dat ze er (in letterlijke vertaling) hun nek over breken. Laten we luisteren:

“Ik ben het brood”, zegt hij. Hoe kunnen we dit toch verstaan? Ik dacht: Hij is zelf brood geworden, want hij heeft het brood dat God geeft zelf gegeten. En wat is dat brood anders dan de liefde van God? Die keren dat de stem van God in het evangelie rechtstreeks klinkt, is het immers een woord dat Jezus grondt in de liefde: ‘Hij is mijn veelgeliefde’. Ik stel me voor dat hij alle voedingsstoffen van deze liefde in heel zijn lichaam en zijn geest heeft opgenomen. Niets in hem is buiten die werking van God gebleven. Zo is hij al etend van dit brood geworden als de Vader. Zo kon hij zeggen: “Wie mij ziet, ziet de Vader.” Het werd zijn roeping: dit brood te zijn voor ieder die het wil ontvangen.

 

Vorige week hoorden we de radicaliteit daarvan: Eet mij, drink mij. Ik hoor: Ontvang mijn liefde toch, zoals ik de liefde van God heb ontvangen. Voor mij klonken deze woorden ‘Eet en drink mij’ niet zozeer als een lering, maar als een smeekbede: Neem mij, deze liefde, die God is, toch op! En sluit je nooit en nergens meer voor die liefde af. Alleen dan zul je leven!

 

Alles in Jezus is erop gericht deze liefde te leven en over te dragen. Er is geen enkele garantie, dat wat hij wil geven, zijn eigen leven, ontvangen zal worden. Hij gelooft: Alleen God staat garant of zijn leven een bestemming vindt. Hijzelf heeft niets in handen. Weerloos is zijn liefde. Liefde maakt weerloos. Die weerloosheid roept die geen enorme angst op waardoor weerstand en verzet alsmaar groeien? Bij de leerlingen, bij ons?

 

Wie denkt dat die weerloosheid gepaard gaat met een passief ondergaan vergist zich totaal. Integendeel: Er gaat een enorme kracht van hem uit, die maakt dat hij een steen des aanstoots wordt. Zeker wanneer hij over zichzelf spreekt in woorden, die verwijzen naar de onuitsprekelijke Godsnaam. Blijkbaar wordt dit uitgelegd als Godslastering, als zou hij zichzelf tot centrum van geloof maken. Hij legt het opnieuw uit: ‘Niemand komt tot mij zonder dat dit hem door de Vader wordt gegeven. De Vader is het die trekt!’

De Vader is het naar wie hij verwijst.

Meer misschien nog dan wellicht de schijnbare pretentie is het de consequentie van het geloven in hem waar de leerlingen voor terugdeinzen.

Dringt het besef langzaam maar zeker door bij hen maar ook bij mij: Hem volgen betekent dat ik kies voor een leven, waarbij ik telkens weer sterf aan mezelf? Hem volgen betekent, dat ik me verbind aan een leven van breken en delen en mijn bestemd zijn uit handen geef? Ik hoor in mijn binnenste de onmogelijke vraag: Kun je de beker drinken waaruit ik drink en toch blijven geloven en trouw zijn aan de God die liefde is?

 

Een verleidelijke gedachte kwam bij mij op: had hij het maar bij die broodvermenigvuldiging gelaten. Velen zouden bij hem zijn gebleven. Hoeveel jaren zouden er niet zijn toegevoegd zonder aan het einde die afschuwelijke moord. In plaats van vermoord zou hij gekend en geëerd zijn om alle wonderen en tekenen die hij zou hebben gedaan. Ik laat het tot mij doordringen: Ja: Hij zou aan velen goed hebben gedaan. Daar is ook niets mis mee. Integendeel: Hij zou bijgeschreven zijn in het boek van de weldoeners.

Maar hoe dan te geloven als de nacht komt, hoe te geloven in de realiteit van deze wereld waar goed is maar ook zoveel kwaad, zoveel lijden, zoveel nachten doorgebracht in angst en Godverlatenheid?

Juist daarin is Hij voorgegaan. Juist in die nacht werd Gods liefde zichtbaar voor onze ogen door de trouw van deze mens Jezus. Juist in die nacht! Kan zijn trouw de onze worden?

Dit sterkt mij als de vraag via Jezus aan de leerlingen ook aan mij wordt gesteld: En jij, wil jij soms ook weggaan? Want het is de Vader die trekt, maar ik moet wel antwoord geven. Ja, eigenlijk wil ik wel weggaan Heer, eigenlijk wil ik niet sterven aan mijzelf, eigenlijk wil ik die nacht niet. Ik wil die beker niet drinken en kan het ook werkelijk niet. Eigenlijk houd ik het liever bij wonderen en de tekens van uw liefde. Maar wat dan, Heer, als de nacht komt, naar wie moet ik dan anders gaan? Ik bid dat het mij en ons gegeven wordt om in uw spoor te blijven geloven, in uw liefde, te blijven geloven in uw Naam: Ik zal er zijn.

 

Daarom: Laten we eten en drinken en zo alle voedingsstoffen van deze liefde opnemen. Alleen door zo te ontvangen kan iets van zijn liefde en trouw de onze worden. God wil het ons geven!