Foto: Evangelie volgens Johannes
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot


Preken: Johannes
6, 41 - 51a

Door Jan Rooijakkers, gehouden op 9 augustus 2009

 

“Sta op en eet”

 

Vandaag horen we voor de derde keer een deel van de Broodrede. We begonnen bij de spijziging van de vijfduizend. Daar hoorden we de eerste vraag: “Waar komt toch uw kracht, uw woord, uw zending vandaan?” en daar sloot bij aan: “Wie bent U eigenlijk?” Vorige zondag kwamen we uit bij hoe Jezus zijn kracht duidt: “Ik ben dat brood … blijf bij mij”. Vandaag cirkelt de evangelist nog dieper; we horen de vraag “Heer wie zijt ge, wat zeg je van jezelf met je woord ‘ik ben dat brood’?”

We raken aan het eigen zendingsbesef van Jezus.

***

De grote en krachtige profeet Elia heeft het opgegeven, hij gaat liggen, het hoeft niet meer voor hem. Hij hoort dan: wordt wakker, sta op en eet. En vanuit de kracht van dat brood liep hij tot hij de berg van God bereikte.

De andere grote profeet Mozes heeft ervoor gezorgd dat het volk het manna kreeg, het brood waardoor zij de tocht van veertig jaar naar het beloofde land konden volhouden.

Deze Elia en Mozes zijn voor Jezus – denk aan de Thabor – de mannen die voorgegaan zijn op de weg om de Israëlieten tot het volk Gods te laten worden.

Op deze twee grote voorbeelden rijmt de lange broodrede die we als evangelie beluisteren. Jezus herkent de ontmoediging van Elia, maar ook het woord ‘sta op en eet’. En de lange weg naar de berg van de Godsverschijning. -   En de lange weg van Mozes naar het beloofde land.

Jezus zegt voortdurend: het Rijk Gods is nabij. Hij is een en al hartstocht om zijn tijdgenoten, zijn volk uit het slop van moedeloosheid en kleingeestig farizeïsme te bevrijden. Hij ziet zijn roeping in de bevrijding van zijn volk. Het beloofde land, de berg Gods noemt Hij “Het Rijk Gods”of “het huis van mijn Vader dat vele woningen heeft”. Daar wil hij zijn tijd een nieuw thuis geven.

Hij ziet hoe Elia het noodrantsoen aanneemt, dat hem aangeboden wordt als hij totaal ontmoedigd is en wil sterven, zodat hij tot aan de verschijning van God op de berg kon geraken, en Hij zegt tegen zijn toehoorders: wordt wakker, eet en drink, mijn woord kan jullie opnieuw op weg zetten. Mijn woord is dat brood dat jullie redt. Hij ziet hoe Mozes de morrende massa weer in beweging krijgt door die uit de hemel afgesmeekte dagelijkse portie manna, ja ze naar het land van belofte brengt. En hij ziet zichzelf dan als ‘brood uit de hemel’. Hij zegt: ik geef niet zo maar brood, ik geef mezelf, als je je door mij laat voeden, ben je verbonden met de Vader, neem je voedsel dat verder gaat dan eventjes, dat geeft eeuwig leven. Want ik moet jullie met de Vader verbinden.

Als de leiders van het volk dan morren, zich schrap zetten, gladweg ‘neen’ zeggen, antwoordt Jezus: ‘Zit niet te morren, dit alles is inderdaad moeilijk. Het gaat er niet om dat je je aan mij bindt, maar de Vader trekt je en ik ben ‘het brood’, het voedsel op de lange weg – als je de stilte ingaat van het “Sjema Israel”: als je echt Gods stem probeert te beluisteren. Elia moest het twee keer horen, Mozes moest zes keer het gemor van het volk weerstaan, voor ze het manna konden ontvangen. Jullie zal het ook niet gemakkelijk vallen. Laat toch het werken van God toe’, smeekt Hij zijn toehoorders.

Wie zich aan mij toevertrouwt komt met de Vader in verbinding, komt met het eeuwige leven in verbinding, zal pas echt leven ontvangen. Jezus weet zich werkelijk zo één met zijn Vader, dat Hij dat durft te zeggen: ik ben het brood uit de hemel, neemt en eet, doet dit tot mijn gedachtenis. Ook ons, hier en op deze plaats wordt dit woord gezegd.