Preken: Johannes
6, 1 - 15
Door Nel van Cuijk, gehouden op
19 juli 2009
Broodvermenigvuldiging
Afgelopen zondag hoorden we bij
Marcus hoe er een grote menigte mensen achter Jezus aanging en hoe
Jezus tot in zijn ingewanden geraakt werd, geroerd, aangegrepen,
door deze menigte omdat hij een beeld zag, een beeld uit het eerste
testament: “dat ze waren als schapen zonder herder”.
En Jezus ging hun opnieuw vertellen
over God. Waar mensen doelloos, zinloos, leeg, ronddwalen – zo lijkt
de Schrift te zeggen – daar kun je maar één ding doen: vertellen
over God.
Bij Marcus volgt nu ook een verhaal
van de broodvermenigvuldiging, maar wij laten de verhaaltrant van
Marcus nu los en stappen over naar het wonderverhaal bij Johannes.
De menigte heeft hem zien vertrekken
naar de andere kant van het meer en ze zijn achter hem aan gegaan
niet omdat ze honger hadden, zegt Johannes, maar omdat ze tekenen
gezien hadden, tekenen die hij aan zieken gedaan had.
In Johannes lezen we dat hij een
verlamde genezen had op de sabbat en dat was natuurlijk niet goed
volgens de gevestigde orde en Jezus verwijt deze gevestigde orde dan
ook dat ze geen geloof hebben, zij hebben Mozes niet geloofd en ze
geloven Jezus niet. Ze geloven niet dat hij een van God, door God
gezonden mens is.
Deze menigte krijgt het voordeel van
de twijfel, zij geloven niet, nog niet, maar ze trekken achter Jezus
aan. En de menigte krijgt meer dan voldoende eten maar gaat het daar
om in dit verhaal? Het lijkt me niet.
Immers Jezus gaat weg met zijn
leerlingen en als hij aan de andere kant gekomen is beklimt hij de
berg en pas dan ziet hij de menigte en vraagt aan Filippus:
‘Waarvandaan zullen wij brood halen voor deze grote groep mensen?’
Een vraag zegt Johannes er bij om hem op de proef te stellen.
Filippus denkt na en komt tot de conclusie dat daar een flinke som
geld voor nodig is, dat geld hebben ze niet dus is het onmogelijk om
voor deze mensen brood te kopen. Op de vraag ‘Waarvandaan kun je
zoveel brood halen?, had Filippus kunnen antwoorden: ‘Ik weet het
niet, Heer, maar u weet het’, of als hij Mozes en de profeten
werkelijk had gekend had hij kunnen zeggen: ‘brood uit de hemel’.
Immers Jezus heeft het al over Mozes gehad, hij is met zijn
leerlingen de berg op getrokken, het is kort voor Pasen, de grote
Uittocht wordt herdacht, allemaal tekenen, signalen, aanwijzingen
dat het hier om een nieuwe interpretatie, een actualisering van de
Exodus gaat. Filippus had het kunnen weten, hij had het kunnen zien,
doorzien. Hij heeft weet van het manna, het brood dat uit de hemel
neerdaalde. Hij is echter nog bezig met de onmogelijkheden van het
leven. Dat neem ik hem niet kwalijk, ik vind het wel een mooie
spiegel voor mezelf, hoezeer ik, wij mensen geneigd zijn te kijken
naar de onmogelijkheden die het leven kenmerken.
En dan komt Andreas met een jochie
met vijf broden en twee visjes aanzetten, een beetje aarzelend, een
beetje twijfelend want hij weet onmiddellijk dat het niets
voorstelt, dat je met vijf broden en twee visjes geen 5000 man te
eten kunt geven.
Jezus echter neemt het aan, het
weinige wat een leerling aandraagt wordt door Jezus aangenomen,
aangegrepen ook, om er meer dan genoeg van te maken.
De menigte ziet het wel zitten met
Jezus, ze zien dat hij een profeet is en dat hebben ze in zekere zin
goed gezien. Echter ze grijpen hem, claimen hem en willen hem tot
koning maken, tot iets of iemand die hun leven veilig zal stellen.
Maar dat is iets wat je nooit moet doen, je moet van een profeet
geen koning maken.
En waar gaat het nu om, wat zouden de
leerlingen kunnen zien, wat zouden wij kunnen zien?
In de loop van de komende zondagen
zal Jezus veel zeggen over brood, over het brood dat hij zelf is. In
deze tekst, in dit teken liggen de aanzetten. Want de mensen hebben
een nood een honger naar iets anders dan brood. In onze westerse
wereld is dat meestal ook overduidelijk. Een enkel woord uit deze
tekst geeft ons al enige richting. Er blijft veel brood over en het
moet verzameld worden want er mag niets verloren gaan. Dat is een
groot kenmerk van de Johanneische Jezus. Er mag niemand en niets
verloren gaan.
De getallen die genoemd worden geven
ons een aanwijzing. Vijf is het getal van de Thora, de vijf boeken
van Mozes, 12 is het getal van de twaalf stammen van Israël. Jezus
is met de nieuwe uittocht bezig en zoals Mozes brood uit de hemel
liet komen, zo is ook dit broodwonder het teken van die nieuwe
uittocht die met de boodschap van Jezus begonnen is.
De vraag die opgeroepen wordt is dan
ook: wie is Jezus toch, wie is hij voor mij en u nu en hier. En,
geloof me, die vraag was voor degene die Jezus met eigen ogen hebben
gezien even moeilijk als voor ons nu.
Ik kan alleen maar iets zeggen over
wie Jezus voor mij is, wat ik vanuit deze tekst daarover wil zeggen
is dit.
Jezus is voor mij degene die niet
wijkt voor het onmogelijke, hij neemt het kleine beetje aan en
brengt het in een dankgebed voor God; alles, de mensen, het brood,
zijn hele leven brengt hij in verbinding met God. Hij weet zich door
God omvat en door God gedragen. Dat betekent niet dat zijn leven een
successtory wordt, wij weten allen hoe het met hem verder gaat. Maar
hij legt zijn hele leven, het lijden en het sterven in de handen van
God. Dat is wat Jezus mij vandaag te zeggen heeft: leg je hele
leven, alles wat ik en u als onmogelijk ervaren in de handen van
God. Want Johannes is er van overtuigd dat wat God aan en met en
voor Jezus heeft gedaan, voor álle mensen doet.
En ons samen Eucharistie vieren is
iets veel groters dan wij hier en nu op dit kleine plekje kunnen
ervaren. Dit vieren van ons is en blijft fragmentarisch maar het
wordt door God omvat en door God gedragen. |