|
Preken: Johannes
2, 13 - 25
Door Tineke Renkema, gehouden op
15 maart 2009
Een aan God toegewijde stille plaats
Vorige week werden we door de
lezingen van die zondag meegenomen de berg op: de berg als plaats
waar je een ander perspectief ontvangt, een nieuwe blikrichting,
nieuwe ogen. De mens kan op de berg iets ondergaan van
eeuwigheidswaarde. Iets wat doet uitroepen: Zo is mijn God, zo
overkomt hij mij. Voor wie eenmaal de berg op geweest is, zal het
leven, getekend door deze ervaring, nooit meer hetzelfde zijn als
daarvoor, maar zij kan niet worden vastgehouden. Het zal in het
leven van alledag moeten blijken of deze ervaring op de berg heilige
grond kan worden om op te staan. Het gaat uiteindelijk niet om de
ervaring op de berg, hoe kostbaar ook, en ook niet iedereen zal zo’n
ervaring meemaken, maar het gaat om het leven van alledag.
Over het leven in die alledaagse
werkelijkheid gaat het vandaag, terwijl er allesbehalve alledaagse
dingen gebeuren.
Het joodse volk bevindt zich midden
in de woestijn. Het is alweer even geleden dat de grote uittocht uit
Egypte plaatsvond, dat land van onderdrukking, waar de mens leeft
die zichzelf genoeg is met als gevolg dat de één de ander tot slaaf
maakt. Uittocht, bevrijding: God die je zo overkomt. Zal deze
ervaring worden tot heilige grond in hun leven? Zal zij werkzaam
blijven? Midden in die barre woestijn komt de vertwijfeling op: Is
God eigenlijk wel in ons midden? Mozes gaat de berg op, misschien
met iets op de lippen als: Hoe is uw Naam God? Waar zijt gij te
vinden? Toon toch het volk van uw verbond de weg die wij moeten gaan
door de woestijn van ons leven naar beloofd land. En God openbaart
zich: Tien woorden. Tien woorden, die richting geven en helpen om
trouw te leren zijn aan de God die hen overkwam.
Tien woorden die als ik ze hoor,
onmiddellijk mijn blikrichting verplaatsen van mijzélf naar búiten
mij. Tien woorden, die allereerst onze ogen richten op God: ‘Ik ben
de Heer uw God, die U uit Egypte hebt bevrijd’ en direct daarna
worden we verwezen naar de mens naast ons. Ik word in het Verbond
geplaatst en in verbinding gebracht. Alleen in die wederzijdse
afhankelijkheid kan ik iets op het spoor komen van God die als
eerste onze vrijheid wil. De vrijheid die God ons voor ogen stelt is
niet los verkrijgbaar van die wederzijdse afhankelijkheid. En dat is
voor ons, die op onze autonomie gesteld zijn, niet alleen een niet
gemakkelijke boodschap, maar ook een hele leerschool om dit te leren
leven.
Mozes ging de berg op: Toon toch God
wie u bent en wijs ons de weg. Jezus ging de berg op met zijn
leerlingen en misschien ook wel met het gebed in zich: Toon toch God
wie U bent en wijs hen de weg. We hebben het vorige week gehoord,
dat ook de leerlingen het op die berg overkwam dat hun blikrichting
van henzelf werd verplaatst, naar Jezus als geliefde Zoon, ook een
soort uittocht zou je kunnen zeggen.
En ook wij, zoals wij hier zitten,
elke dag in de ochtend biddend: ‘Hoe is uw naam God? Waar zijt gij
te vinden?’ worden zo verwezen naar deze Jezus.
Laten we dan de blik op hem richten,
zoals hij zich vandaag aan ons voordoet, terwijl hij zich bevindt op
het tempelplein, in Jeruzalem: die plaats bij uitstek van het
religieuze leven. We zien een woedende Jezus, die, in de ogen van de
tempelautoriteiten een chaos schept in de schijnorde die er heerst.
Waar is het Jezus om te doen? Hij zegt zelf: ‘Jullie maken een markt
van het huis van mijn Vader.’ De tempel is een plaats geworden waar
Gods liefde wordt gekocht, waar God voor de kar van mensen wordt
gespannen. Alles is uitgehold religieus ritueel geworden, een geheel
van belastende religieuze verplichtingen.
Ik stel me voor dat
het Jezus eigenlijk erom te doen is, dat heel de ruimte van de
tempel gaandeweg bezet is geraakt door de mens zelf en er weinig tot
niets meer over is van de tempel als een plaats die aan God
toegewijd is, als heilige plaats, als heilige grond.
Waarom is het niet moeilijk om me
hierin in te leven? Is dat niet omdat Jezus’ handelen ons
confronteert met waar hier en nu heilige woorden en heilige gebaren
zijn geworden tot heilige huisjes, waar de Geest niet meer doorheen
waait? Omdat wij zelf met pijn in dit verhaal in de spiegel kijken
en het spiegelbeeld herkennen?
Maar als ik dit erken, wordt
tegelijkertijd ook het verlangen aangesproken naar een tempel, naar
een kapel als plaats aan God toegewijd, waar ik in een stille
ruimte, in de stilte van mijn hart kan komen en daar niet langer
meer mijn eigen stem hoor, maar een stem waarin God aanwezig komt,
als ik vraag ‘Hoe is uw naam? Waar zijt gij te vinden?’
Maar dit is het niet alleen: Mijn
blik in dit verhaal wordt behalve naar het gebeuren op het
tempelplein tegelijkertijd verplaatst naar Jezus zelf. Dit gebeurt,
wanneer de tempelautoriteiten hem vragen naar de bevoegdheid waarmee
Hij handelt. Jezus antwoordt: ‘Breek deze tempel maar af en ik zal
hem in 3 dagen weer opbouwen’ Dit antwoord van de evangelist wordt
voor ons geduid: Hij sprak over de tempel van zijn lichaam. Daar
wordt mijn blikrichting verschoven. Daar kijk ik met andere ogen
naar Jezus zelf als plaats van Godsontmoeting. Hijzelf is een aan
God toegewijde stille plaats. Waar wij met Hem in gesprek gaan en
natuurlijk vraagt dat een stille aan God gewijde ruimte, zal hij ons
brengen bij die stilte van het hart, waar de stem van het
eigenbelang zwijgt en de stem van waarheid en liefde klinkt. Zo
worden wij zélf uitgezuiverd.
Waar het ons zo overkomt, daarop
zullen we ook in het dagelijkse leven worden beproefd. We weten het
maar al te goed: We moeten het leren: Onze heilige huisjes
omverwerpen, onze schijnorde afbreken en met elkaar wegen blijven
zoeken om bij Hem en bij elkaar te blijven. Te blijven vragen: Hoe
is Uw Naam? Waar zijt gij te vinden? En geen enkel antwoord is
daarin ooit voldoende, afdoende. Mag de Geest waaien? En mogen we nu
het heilig spel van zingen, bidden, breken en delen spelen met heel
ons hart. |