|
Preken: Johannes 17, 20 - 26
Door Leonie van Straaten, gehouden op 20 mei 2007
Zonder de ervaring van verdeeldheid worden we niet gevoelig voor een
nieuwe eenheid
Met
enige huiver doorbreek ik de stilte – opgeroepen door deze biddende
tekst. Toen ik bezig was met deze tekst uit Joh 17 moest ik steeds
denken aan Oscar, uit het boekje ‘Oscar en oma Rozerood’. Want de
brieven van Oscar raken in mij dezelfde snaar als de woorden van
Jezus: het gaat over een intimiteit die mijn verstand te boven gaat,
maar die me wel raakt; een verlangen wekt.
Eerst
iets over Oscar, omdat hij me helpt deze tekst te naderen: hij is
tien jaar, ligt in het ziekenhuis en heeft nog maar kort te leven.
Oog in oog met de dood ontdekt hij dat volwassenen er niet met hem
over praten, alleen oma Rozerood. En zij stelt hem voor om eens een
brief aan God te schrijven. Omdat hij zich dan minder alleen zou
voelen. Maar: hij mag God alleen dingen vragen die met zijn
innerlijk te maken hebben. En zo is het gekomen, dat Oscar brieven
aan God schrijft en ik als lezer betrokken word bij een dimensie van
eenheid, een groeiende levenswijsheid die iets laat zien van volheid
van leven, van waar leven raakt aan eeuwig leven. En die het
verlangen hiernaar in mij wakker maakt.
Zo
vergaat het me ook met het gebed van Jezus: hij brengt God heel
dichtbij en toch blijft deze God onzichtbaar. Het raakt me dat hij
zó kan bidden, zelf zó in de Bron van leven staat.
Dit
gebed staat in een groter kader waarin Jezus aan zijn leerlingen
overdraagt wat hem dierbaar is: zijn geestelijk testament. Het gaat
om wat zij moeten weten als hij niet meer bij hen is, weten met hun
hart. Het gaat om de zaken van het innerlijk, van wat er nodig is om
echt te leven. Als alles gezegd is, bidt Jezus.
Hij
bidt op bijzondere wijze om eenheid met zijn leerlingen. De
leerlingen worden hier als eersten betrokken in het verbond van
Jezus met zijn vader. Vanuit de concrete ervaring van het leven met
Jezus hebben zij als geen ander weet van zijn verbondenheid met God,
en worden ze als geen ander aangesproken om met nieuwe ogen naar de
werkelijkheid te kijken: het echte leven zien betekent iets van die
heerlijkheid zien. Zij leren zien wat niet is.
Maar
de mystieke woorden van Johannes kunnen ook heel gesloten overkomen.
Als een soort systeem dat je zou kunnen begrijpen. Om hier doorheen
te breken is het van belang onze eigen beelden over eenheid onder de
loep te nemen. Want dan komen we misschien wat dichter bij de
eenheid waar Johannes over schrijft.
Eenheid is niet hetzelfde als het eens zijn. Als we onze verschillen
met de mantel der liefde bedekken, verspelen we de kans op eenheid.
Maar
wat dan wel? We weten dankzij vele studieweken dat de schepping
begon met het uiteenleggen van chaos: het is nodig om te scheiden,
te onderscheiden om te kunnen leven. Maar dit scheiden is geen losse
act: het staat in het perspectief van een nieuwe eenheid, van
vruchtbaar leven. Man én vrouw, twee, niet één, opdat wij elkaar
aanvullen, tot zegen zijn.
In
onze concrete ervaringen kennen we chaos, scheiding en verdeeldheid.
Zonder de ervaring van verdeeldheid worden we niet gevoelig voor een
nieuwe eenheid. Gaandeweg ons leven worden we betrokken bij de
opdracht om te kiezen; het is een keuze om het leven in chaos te
laten ondergaan – dat gebeurt helaas in onze wereld – om het in
verdeeldheid uiteen te laten vallen – ook dit gebeurt helaas in onze
wereld – óf om mee te werken aan een nieuwe eenheid. Godzijdank
gebeurt dit ook op plaatsen in onze wereld, hier en elders.
Enerzijds zijn het concrete ervaringen die ons op
het spoor naar eenheid zetten, zoals de leerlingen hun ervaringen
met Jezus hadden. Maar anderzijds wachten we in dit verlangen op een
kracht, die vrijkomt als we zelf in de Bron van leven staan, waar
Heilige Geest en wij samen werken. Jezus bidt vanuit deze
kracht: hij bemoedigt ons te geloven dat Gods werkelijkheid meer is
dan wat wij zien en voor mogelijk houden: heilig, nieuw, anders
leven dankzij Gods aanwezigheid.
Vandaag wordt ons samen eucharistie vieren gedragen door het gebed
van Jezus. Hij brengt ons dichter bij het geheim van leven, opdat
wij zien met nieuwe ogen.
Zoals – tenslotte – zo prachtig beschreven is door Oscar, die aan
God had gevraagd om hem een keertje op te zoeken:
“Beste God,
Bedankt dat je gekomen bent. Ik begreep dat je er was. Dat je mij
jouw geheim vertelde: bekijk de wereld elke dag alsof het de eerste
keer is. Het leek alsof je mijn hand pakte en me meenam naar de kern
van het geheim om het geheim goed te zien. Dank je wel.”
Ons mee laten nemen naar de kern van het geheim
van leven met God, zien wat niet te zien is – het is vast en zeker
een opwaartse beweging. Alles wordt opgenomen in een dankgebed en
een lofzang aan onze God. Daarom wil ik nu graag nog een keer samen
luisteren naar de cantate van Bach, die Jan ons vrijdag liet horen.
|