|
|
Preken: Johannes 9, gedeelten
Door Koos van Etten, gehouden op 16
december 2004
Wij mogen
lichtmensen zijn
Twee weken geleden heeft dominee van der Wal hier
een beeld gebruikt van het licht. De zon of een lamp is een licht,
maar het gaat niet om dat licht, zei hij! Wij kijken niet naar de
zon of in die lamp. Nee, het licht is er, zodat wij iets kunnen zien
en elkáár kunnen zien. Zo is Jezus het licht voor de wereld. Dat
heeft hij verder uitgewerkt.
Ik wil er nu aan toevoegen, dat er niet alleen een lichtbron buiten
ons is: de zon of een kerstversiering. Nee, er is ook een lichtbron
in ons, van binnen dus. Voor mij heeft b.v. Rembrandt dat mooi laten
zien in een schilderij van Kerstmis, de geboorte van Jezus.
Opvallend is dat Rembrandt geen lichtbron van buiten gebruikt heeft,
maar het licht van binnenuit laat schijnen, vanuit het kerstkind.
Rembrandt wilde op zijn manier uitdrukken: Jezus is het licht! Zoals
ook de evangelist Johannes het zojuist zei: Jezus is het licht voor
de wereld. Dat vertelt het hele verhaal van Johannes 9, maar het
begint al, wanneer de evangelist zegt: In het voorbijgaan zag
Jezus iemand die blind was vanaf zijn geboorte. Jezus is
blijkbaar iemand die zich laat raken door wat hij ziet. Tegelijk
leeft Jezus zo in relatie met God, dat hij van binnen diep bewogen
wordt bij het zien van zo’n ongelukkige man en meteen iets doet. Hij
ziet om naar die mens, zoals God omzag naar zijn volk,
toen het in Egypte te lijden had van zijn onderdrukkers, en God het
volk bevrijdde door de exodustocht. Jezus zal deze mens bevrijden
van zijn duisternis.
Jezus is het licht voor de wereld, omdat hij het
licht van de schepping in zich droeg. Er is een joods-chassidisch
verhaal, waarin verteld wordt dat God de wereld schiep door zijn
woord: Er zij licht en het was licht. Maar al gauw viel die
wereld uit elkaar, in een heleboel stukken: de brokstukken waar wij
nog iedere dag mee te maken hebben, in onze wereld en in ons eigen
leven. In al die brokstukken en in iedere mens zit iets van dat
licht, maar het is diep verborgen en het moet eruit bevrijd worden.
Pas dan komt het tot zijn recht! Dat is onze opgave, zeggen de
joodse leermeesters, de opgave van ons, mensen.
Jezus deed dat: hij bevrijdde het sluimerend licht in een mens. Zo
vertelt het verhaal van de blindgeborene: de man die niets kon zien
en tastte in het duister. Hij kon ook niemand in de ogen kijken: er
was geen echte ontmoeting. Er was ook geen perspectief op
verandering; hij zat maar te zitten als een bedelaar. Iedere dag
hetzelfde. Voor hem was het nacht.
Maar dan komt Jezus voorbij die hem ziet en iets doet. Hij spuwt op
de grond, maakt met speeksel wat modder en strijkt dat de blinde op
zijn ogen. Hij raakt hem heel lijfelijk aan en wekt de geest die
sluimerend in hem aanwezig is, tot leven. Hij bevrijdt het licht dat
in hem verborgen is. Hij zegt: Ga je wassen in het bad van Siloam.
De man deed dat, waste zich en kwam ziende terug.
Met het wassen in het bad wordt natuurlijk bedoeld dat de blinde die
modder van zijn ogen zou afwassen. Maar het verwijst ook naar de
doop die wij allemaal hebben ondergaan. De doop is het
ondergedompeld worden in het water, het óndergaan in de stroom van
het leven om opnieuw geboren te worden. Dat is hier ook het geval,
er is een nieuwe geboorte, want de man komt ziende terug. Er gaat
een wereld voor hem open. Hij kan zien! Geweldig! Kent u die
ervaring? Ik wel en velen hier in de kerk kennen die ervaring, weet
ik: dat je ooit zo aangeraakt wordt door een mens, dat er een nieuwe
wereld voor je open gaat, waardoor je in geloof leert zeggen: ja,
God is liefde!
Het gekke is dat mensen in de omgeving van die
vroegere blinde dat niet zomaar aannemen. Ze stellen hem allerlei
vragen: Ben jij de man die zat te bedelen? Ja? Maar hoe zijn dan je
ogen geopend? De man begint zijn verhaal te vertellen: De mens
die Jezus heet, heeft wat modder gemaakt, zalfde mijn ogen en zei:
Ga je wassen. Dat heb ik gedaan; ik heb me gewassen en nu kan ik
zien. Telkens zal hij zijn verhaal vertellen en eindigen met een
soort refrein: ik kan nu zien. Zie je niet dat ik kan zien?
Ben je niet blij dat ik kan zien? Nee, ze zijn niet blij met hem en
brengen hem naar de religieuze leiders. Die halen op hun beurt zijn
ouders erbij om te weten of hij echt de blindgeborene is. Dat is wel
het geval, maar zij geven geen antwoord op de vraag hoe zijn ogen
geopend zijn. Vraag dat maar aan hem zelf, zeggen zij. De vroegere
blinde moet dus voor zichzelf opkomen; het is een harde leerschool,
maar hij leert die weg te gaan. Hij wordt steeds krachtiger van
binnen, hij heeft de moed om zijn verhaal te vertellen en er niets
vanaf te doen. Hij is ook niet bang om mensen de waarheid te zeggen.
Bovendien blijft hij zeggen dat Jezus het was die hem heeft genezen,
ja dat hij een profeet is, al heeft dat tot gevolg, dat hij
tenslotte uit de synagoge gegooid wordt.
Juist op dat moment, als hij pijnlijk ervaart dat men hem niet
accepteert en als hij de neiging heeft de moed te laten zakken, komt
Jezus hem weer tegen die hem vraagt: Geloof je in de mensenzoon?
Heer, wie is dat, vraagt hij, want toen Jezus hem aanraakte en
modder op zijn ogen deed, was hij nog blind en kon hij Jezus niet
zien. Heer, wie is dat? Degene die je ziet en die met je spreekt,
zegt Jezus! En hij zegt dan: Ik geloof, Heer, en hij werpt zich voor
hem neer.
Ontroerend is dat verhaal, van een mens wiens
ogen geopend worden, in wie het licht van de schepping begint te
branden en alsmaar sterker wordt, ondanks de tegenstand van mensen
en ondanks de moeilijkheden die hij ondervindt. Mijn wens is, dat
dit licht ook in ons gaat branden, als een vuur dat niet dooft.
Maar wat, als het nog diep verborgen zit? Ja, dan wens ik, dat er
ooit iemand komt die doet, zoals Jezus deed. Iemand die barmhartig
naar je omziet en je aanraakt, zodat je hart van binnen wordt
verwarmd en je geest wordt gewekt.
En wat, als je ooit bent aangeraakt maar het licht in je weer is
gedoofd of bijna opgebrand – door de omstandigheden van het leven?
Wat dan? Dan hoop ik, dat het vuur weer opnieuw gaat oplaaien, door
een woord van bemoediging of een gebaar ter ondersteuning. Door de
ontmoeting dus met een mens van God, zodat het duister uit je hart
verdwijnt en we samen kunnen zeggen: en toch… komt het Licht!
En als het licht in ons al is gaan branden en met
Gods genade steeds krachtiger wordt, wat dan? Dan hoop ik dat we
dragers worden van dat Licht, opdat onze wereld van binnenuit
verandert. Onze wereld? Die brede, grote wereld waardoor we via de
nieuwsberichten elke dag overspoeld worden? En wij deze kleine
mensen? Ja, dat is een grote tegenstelling. Toch geloof ik, dat wij
de wereld van binnenuit kunnen veranderen. Er zijn mensen geweest in
wie we dat gezien hebben, zoals dominee Martin Luther King of moeder
Teresa en zovele anderen. Zij zijn lichtdragers geweest, door wie de
wereld veranderde. Ook wij kunnen lichtmensen worden op onze eigen
plek, als wij doen wat onze taak is. Dat zingen we straks in het
lied: Jezus, jouw licht, verlicht onze aarde, en jij zegt ons:
Ook jij bent het licht. Wij mogen lichtmensen zijn. Laten we op
deze manier toeleven naar Kerstmis, opdat we door het Licht worden
vervuld.
|