|
Preken: Johannes 3, 15 - 19
Door Niek Werkhoven, gehouden op
22 mei 2005
Ons leven ligt in de hand van God en daar ligt het goed
Het
is of de Kerk – en de Kerk dat zijn wij, en niet alleen wij, -- ons
na Pasen en Pinksteren nog eens wil zeggen: ons leven ligt in de
hand van God en daar ligt het goed. Goed, ondanks alles wat we
meemaken, meedragen, ondanks verdriet, teleurstelling, ondanks de
harde realiteit die ons toeschreeuwt dat het niet goed is!
Wie is deze God, hoe is Hij barmhartig en genadig, geduldig, groot
in liefde en trouw…?
En dan antwoordt het evangelie:
zozeer heeft God de wereld liefgehad dat Hij het dierbaarste van
zich zelf, zijn Zoon, gegeven heeft… Woorden die niet uit een
catechismus komen, niet voortgekomen zijn uit een diepzinnige
redenering, maar uit een levende ervaring. Aan ons verteld, om het
te blijven vertellen aan elkaar, om ermee te bidden om tot die
ervaring te komen, om naar die levende werkelijkheid te zoeken. Want
in die woorden klinkt de werkelijkheid van Pinkstergeest, van
heilige Geest door, die ‘Tegen-Geest” zoals Oosterhuis Hem noemde.
“Belangen, niet ideeën beheersen het leven van mensen”, hoorde ik
eens, en ik geloof dat het waar is. Als dat waar is, stelt het ons
voor de vraag of we zijn gave wel nodig willen hebben. M.a.w. gaat
mijn ‘belang’, dat wat ik wil en verlang, wel uit naar deze ‘gave’?
Want laten we eerlijk zijn, als God zijn enige Zoon geeft, dan gaat
het niet om een speeltje waar we al naargelang we zin hebben, mee
kunnen spelen. Het is heel serieus, het is leven, het gaat over mijn
en uw leven dat uitstaat naar de wereld!
Het
is niet zo vanzelfsprekend in God te geloven; dat is het nooit
geweest. Wanneer God niet een vaag idee is van ‘ergens iets’, maar
werkelijk de Bron van mijn leven, dan betreft het creativiteit, want
Hij is de Schepper, dan betreft het barmhartigheid en liefde en
trouw. Dan betreft het een God die een wereld niet tot chaos wil
laten verworden. Het is niet gemakkelijk om in het vele zinloze, in
de onzin en in de hypocrisie van het handelen van mensen te
vertrouwen op ‘de hand van God’.
Met
denken en redeneren zullen we dan ook geen antwoord vinden.
Wel
in het leven van Zijn Zoon, en van die dochters en zonen die hun
leven geleefd hebben in zijn voetsporen.
En
dat brengt ons dicht bij de werkelijkheid van de dagelijkse dag: het
is beslist niet nodig te denken dat het leven spectaculaire dingen
moet laten zien als we iets met God hebben.
Zijn Zoon, Jezus die uit Nazaret
kwam, zo’n onbeduidend plaatsje in die wereld van toen, Hij was geen
leidende figuur in het bolwerk van toen, Rome, zoals we Hem nu niet
eerst hoeven te zoeken in het Washington of Moskou van nu. En wat
zegt het dat dit ‘gelaat van God’ niet meer dan enkele jaren
aanwezig was?
Het
zegt naar mijn mening veel, zo niet alles, om geloof en leven als
één geheel te kunnen zien. Geen spectaculaire dingen moeten we
vragen, wel mogen we in de dagelijkse strijd tegen onmacht,
moedeloosheid, tegen onze neiging om dan maar weg te vluchten in een
oppervlakkig leventje, vragen om wat barmhartigheid, liefde en
trouw.
Het
gaat dan om zuiverheid ten opzichte van valse verleidingen die ons
voorspiegelen dat geluk en vrijheid te vinden zou zijn in macht en
bezit.
Door
Jezus weten we dat het beeld van God niet automatisch in de mens
verschijnt. De Schrift windt er geen doekjes om: de eerste keer dat
er van dood sprake is, gebeurt dat door de hand van de mens. Een
mens, een broer, Abel, ademtocht, een bijna niets, die een mens is,
wordt uit de weg geruimd
Maar
dat eerste is niet het laatste.
Vandaag horen we dat ondanks dat, wat mensen van het leven maken, er
ook mensen kunnen zijn die wel ruimte en adem geven. Mensen die, met
al hun verlangen om mee te tellen, gezien, gewaardeerd en bemind te
worden, hun vertrouwen niet stellen op macht en overwicht.
God heeft uit zorg en bekommernis de
geschapen mens niet aan zichzelf overgelaten, maar Hij heeft hem
herschapen, opnieuw geschapen, steeds weer opnieuw de kans gegeven
om in creativiteit als Gods beeld gestalte te geven, om zo steeds
weer te worden..
Daarom wil deze dag, ja ook juist deze dag ons tot dankbaarheid
brengen omdat we God mogen noemen, ook al reikt dit noemen veel
verder dan ons kennen en voelen.
Het is een heel ernstig evangelie, maar meer nog een heel
bemoedigend woord. Een woord dat onze hand open maakt om het brood
te ontvangen en de beker aan te nemen om in de geest van Jezus onze
dag en dagen in het licht te stellen van “eeuwig duurt zijn
barmhartigheid”. Want het is een God die weet wat een moeite de mens
met zichzelf kan hebben, en hoe moeilijk hij de weg naar de ruimte
vindt waar verschillen en gebreken er mogen zijn; maar onze God
vraagt desondanks alles in zijn hand te leggen, want daar ligt het
goed.
|