|
Preken: Johannes 3, 14 - 18
Door Tineke Renkema, gehouden op
18 mei 2008
Hoe is Uw naam?
We
staan aan het begin staan van een lange periode van ‘gewone’
zondagen, het dagelijks leven, ons gewone ‘doen’ en hiervoor wordt
vandaag als het ware, zo heb ik er althans naar geluisterd, een
fundament gelegd. Met enige huiver begin ik aan deze overweging
omdat het vandaag gaat, om alomvattende vragen en om het centrum van
ons geloof: God. Wie is God? En hoe geeft
hij zich te kennen?
Eén
ding is zeker: God laat zich niet zien als een statisch gegeven,
wiens identiteit vroeg of laat zou komen vast te liggen, gefixeerd
zou kunnen worden.
De
vraag naar God is de vraag naar hoe God zich laat zien in de
persoonlijke ervaring, het persoonlijk handelen van mensen.
Het
hart van ons geloven is, dat God aanwezig is en nog steeds komende
in mensen, terwijl wij juist in de werkelijkheid, ook onze
werkelijkheid zo vaak Zijn afwezigheid ervaren.
Wie
is toch die God? En hoe geeft hij zich dan te kennen? Het gedeelte
uit het boek Exodus wat we vandaag hebben gelezen vertelt ons over
hoe God zich laat zien aan en in de mens Mozes. Mozes beklimt ten
tweede male de berg Sinaï met twee nieuwe stenen platen. De eerste
keer heeft Mozes de platen, waarop God de tien woorden schreef, uit
woede aan diggelen gegooid, omdat het volk het lange wachten niet
uithield en heel zijn houvast en zekerheid had gezocht in iets van
eigen maaksel: een gouden kalf, een afgod. En hoe zouden we ons
heden ten dage daar niet in herkennen? God was woedend. Mozes
pleitte bij God voor dit volk, zijn volk, Gods volk en God gaf
gehoor.
Toen
stelde Mozes die grote alles omvattende vraag om Gods majesteit te
mogen zien, zoals hij ooit eerder bij de brandende braamstruik naar
Gods naam vroeg. En hij gaat de berg op. De Heer gaat dan voor hem
langs en roept uit: De Heer, de Heer! Bijzonder is dat ook gelezen
mag worden, dat i.p.v. God, het Mozes zelf is die uitroept: de Heer,
de Heer!
Het
tevoorschijn komen van God en het vragen van de mens om God te mogen
kennen, valt samen. God openbaart zich en Mozes roept en leest af,
dat God een God vol van liefde, ontferming en vergeving is.
Heer,
onze Heer, hoe machtig is uw naam allerwegen op aarde!
Wat
maakt dat God gehoor geeft aan dat vragen van Mozes om Hem te mogen
zien? Is dat niet, omdat Mozes als geen ander bereid was om in te
gaan op hoe God zich openbaart en sterker nog: juist dát als zijn
roeping op zich te nemen?
Ik
kom hier nog op terug.
Wie is toch die God? Hoe geeft hij zich te
kennen? De evangelist Johannes vertelt ons over hoe God volkomen
zichtbaar geworden is in de mens Jezus. Jezus: Gods zoon, mensenzoon.
God maakt zich aan en in hem kenbaar als Vader. En God ervaren als
Vader is je erkend, geliefd en geborgen weten. Jezus wist zich zoon.
Wat betekent dit? Als je je zoon weet, weet je, dat je leven je
geschonken is. Dit geschenk wist Jezus als geen ander te ontvangen.
Hij zag zijn leven als gave. Hij zag zijn leven als gave van God,
een God die de wereld zo lief heeft. En dat nam hij op zich: Gave
voor de wereld. Hij gaf zich voor die wereld en werd zo sprekend
zijn Vader, geroepen om de wereld te redden. En dat deed hij! Tot op
het kruis is hij naar God en mens blijven uitstaan. Liefde die
nergens naar hemzelf terugboog. Zo openbaarde God zich in en door
Jezus als een liefde die altijd en eeuwig naar ons uitstaat.
En waar je met zo iemand aanraking komt, kom je
voor een beslissende keuze te staan: Of je laat je liefhebben en
wordt zo gered of je komt tot veroordeling van jezelf of van Hem,
omdat je niet kan geloven zo zoon of dochter te zijn met alles wat
je aankleeft. En op dit geloof komt het aan. Het geloof dat wij de
Geest van het kindschap ontvangen hebben, die ons doet roepen Abba
Vader. Die Geest staat ons bij en helpt. Dat vierden wij met
Pinksteren.
Wie
is God? Hoe geeft hij zich te kennen? Durven/mogen wij ook vragen
naar zijn Naam? En als het ook onze vraag is, wat betekent dat dan?
Als
Mozes naar de naam van God vraagt en God zich aan en in hem zich
openbaart, gaat dat gepaard met het aanvaarden van een opdracht. die
hij afleest uit hoe God zich aan hem te kennen gaf.
Als
God zich openbaart in Jezus als Vader, wiens liefde eeuwig blijft
uitstaan naar de mens, wordt die liefde zo als gave ingeademd dat
hij zelf tot gave wordt en zijn liefde voor God en de mens nergens
terugtrekt.
In
het vragen naar God, in ons roepen naar God, antwoordt God zo dat
wij onze opdracht af kunnen lezen. Als wij vragen naar en roepen om
Gods aanwezigheid, dan vraagt het van ons bereidheid om antwoord te
geven op de stem die dan in ons klinkt, die stem die in ons zijn
Naam fluistert, in ieder op een unieke manier, ooit ergens in een
mensenleven.
Het ’hier ben ik’ is van cruciaal belang om mijn
vraag naar wie God is te kunnen stellen. Van cruciaal belang opdat
God zich kán openbaren. De vraag naar God is een vraag aan de mens.
En
als dan ergens iets van die Naam in een mens weerklinkt, dan is er
ook die diepe dankbaarheid omdat een mens zo zijn roeping vindt en
zijn leven zin en betekenis krijgt.
We weten dat we daarin tekort schieten, maar we
weten ook dat Gods liefde naar ons blijft uitstaan en het is daarom
dat wij elke dag mogen bidden: Hoe is uw Naam, waar zijt gij te
vinden, eeuwige god, wij willen u zien. Geef ons vandaag een teken
van liefde.
|