|
Preken: Johannes 16, 12 - 15
Door Jan Rooijakkers, gehouden
op 3 juni 2007
Gods Wezen, een maat te groot
Op deze zondag na Pinksteren die de naam “Gods
Drievuldigheid” draagt, voeren de lezing over de Wijsheid en de
woorden uit de afscheidsrede van Jezus ons als het ware naar de
wortel van Gods wezen, naar het begin van alle actie en schepping,
naar de bron van de Enige. Daar waar liefde en wijsheid,
rechtvaardigheid en mededogen beginnen, daar speelt de Wijsheid, de
Thora, als de lieveling van de Heer aan zijn voeten. Daar ook weet
Jezus zijn bron; daarmee wil Hij ons verbinden. Daar vermoedt Hij
ook de Helper, de Geest, die put uit dezelfde bron; die ook één is
met de Vader en die ons de weg wijst ‘naar de volle waarheid’.
We
worden een mysterie binnengeleid. Een mysterie heeft iets van een
wolk, helder lichtend en tegelijk ondoorzichtig: je gaat er binnen
en dan pas ga je gaandeweg iets van de binnenkant ontwaren,
herkennen, aanvoelen meer nog dan doorzien. Dat is niet zo onze
favoriete tijdsgeest of cultuur. Toch doet Johannes dit en toch zijn
zijn woorden ons dierbaar geworden.
De paradox van de te grote realiteit 'God'. Vandaag horen we over de
God, die eigenlijk een maat te groot is voor ons.
Liturgisch zijn we op de weg van Jezus meegegaan. We hebben zijn
woorden gehoord: “Nog veel heb ik jullie te zeggen, maar je kunt het
nu nog niet verdragen, het is nog te zware kost” en “Het is goed
voor jullie dat ik ga”. Maar de Helper, de Geest, zal alles
verduidelijken. Er komt een verdere toegang tot de bron.
Het evangelie van St. Jan en de literatuur van
het boek Wijsheid rollen over eigen woorden. Ze zijn vol van een
ervaring van Gods grootheid, en kunnen er tegelijk met hun
verstand, hun logica niet bij.
Veel dingen in onze wereld kunnen we aan: we
weten ons meester in de techniek; in de medische wereld leren we
heel wat processen bewaken en beheersen, enz. Maar de ervaringen met
het goddelijke kunnen we minder in de greep krijgen. Veel kunnen we
niet aan: leed als ziekte, ongeluk, of een catastrofe op persoonlijk
vlak of in de grootte van een oorlog of tsunami.
In de
lezingen van vandaag wordt slechts gestameld: het zijn ervaringen
die worden gedeeld, uitgezegd.
Jezus
ervaart zichzelf verbonden met een stromende levensbron.
Hij zegt: de Vader en ik zijn één; vanuit
eenzelfde ervaring spreekt hij van de Helper, die alles in
herinnering brengt, tot helderheid brengt. Hij spreekt niet namens
zichzelf, maar vanuit wat hij hoort. Hij spreekt vanuit de Bron,
zijn eenheid met God.
Ik denk dat we niet bij het begrijpen
moeten beginnen, maar naar de uitwerking van zijn woorden mogen
kijken. De jonge Kerk, de apostelen en hun gemeentes zagen hoe door
het enthousiasme en de overtuigingskracht van deze door Jezus op
zending gestuurde mensen wonderen van vernieuwing en verlevendiging
gebeurden. Ze zagen het, het gaf hun zelf een nieuw elan.
De woorden die ze ervoor vonden zijn eerder
probeersels van benadering dan doordachte definities. Pas dan kun je
bidden om Geest en om de vruchten van de geest:
liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw,
zachtmoedigheid en zelfbeheersing (Gal.5,22).
Wie
is God? Hier wordt Hij ons geopend, geopenbaard. Er wordt niet
uitgelegd, maar een ervaring gedeeld. We kennen uitingen van Geest
in de jonge Kerk als ‘het spreken in tongen’, in onze tijd de
pinksterbewegingen: daar waar het verder gaat dan begrippen; daar
waar het misschien te ver gaat, oncontroleerbaar wordt, waar
vervoering gaat spelen en ontroering relevant meespreekt… maar toch:
waar wil de Geest, ons heen bewegen?
Wat
zegt de Geest dan. Hij zegt: Vertrouw erop dat de Heer leeft, werkt,
er is.
Dat
hij jullie niet als wezen achterlaat, maar helpt.
Je
kunt het nog niet verdragen. Zoals je te zwaar eten niet kunt
verdragen, nog niet aankunt. Hij zegt niet: je kunt het nog niet
vertrouwen!
De
paradox van de te grote realiteit “God” kan iets openbreken. Het kan
een weg zijn naar wijsheid, naar een kracht die onbekende wegen
begaanbaar maakt.
Het bericht over Pinksteren laat ook zien dat het
vooral ‘onverstaanbaar’ was, vele talen, één verstaan, vuur en wind,
geen woorden, zeker geen begrippen. Wij kunnen met onvatbare,
ondoorzichtige, mysterieuze dingen niet zo goed overweg. Het blijft
ook een ongrijpbare werkelijkheid. We moeten – nee, we mógen
het doen met
de
warmte van de vurige tongen,
de
vurig geworden apostelen.
we
mogen kijken naar die jonge gemeente die leven gevend werkte,
die
de wereld ging verwarmen.
Vanuit die ervaringen worden wij opgeroepen die
God, die ons begrip te boven gaat, serieus te nemen en -
evenals de Wijsheid - te durven spelevaren op zijn wind, zijn
Roeach, zijn Thora, zijn Woord, zijn Wijsheid.
|