|
|
Preken: Johannes 16, 12 - 15
Door Niek Werkhoven
De volle waarheid tegemoet
Het lijkt wel of dit evangelie van deze eerste
zondag na Pinksteren ons een korte samenvatting mee wil geven. Een
samenvatting van de grote feesten: Kerstmis als openbaring, Pasen
als verheerlijking, Pinksteren als toerusting. Een soort handbagage
voor onderweg, oriëntatiepunten om ons te bemoedigen voor de tijd
die voor ons ligt.
‘Nog veel heb Ik
jullie te zeggen, maar jullie kunnen het nu nog niet verwerken’. Een
zin die over de hoofden van de leerlingen van toen, nu tot ons
gericht blijft. Zo spreekt iemand die afscheid neemt, die op de
grens van leven en dood staat. Op zo’n grenservaring van diepe ernst
of intens geluk kijkt een mens totaal anders tegen het leven aan dan
in het gewone doen en laten. Het bijkomstige valt weg, wat wezenlijk
is staat helder en recht. Daarom denk ik dat Jezus ook een ‘gelukkig
mens’ was, echt gelukkig ondanks wat Hij meemaakte.
Maar, en dat zegt Jezus dan ook, er zijn grenzen aan communicatie,
grenzen aan het bevattingsvermogen. De eenvoud van geluk is dikwijls
moeilijk te zien in het gecompliceerde van de werkelijkheid.
“Jullie kunnen dat nu nog niet verwerken”, zegt onze vertaling.
Hetzelfde woord waarmee het evangelie vertelt dat Jezus zelf zijn
kruis draagt: ‘op zich nemen’ dus, ‘opgelegd krijgen’ dikwijls. Nu
nog niet – verwerken is geen kwestie van de kiezen op elkaar en
doorbijten. En daarom klinkt er zoveel bemoediging in door. ‘Nu nog
niet…’, Petrus heeft dit ook te horen gekregen tijdens die laatste
avond samen toen hij zei: “Ik zal je volgen…”. Maar zo gaat het
niet. Geloof, en je kunt ook zeggen, leven, is bepaald niet “ik
zal…”. Het is eerder geleidelijk open komen, soms opengebroken
worden voor dat wonderlijke: “Ik zal er zijn zoals Ik zal zijn”.
Openbaring is geen kwestie van begrijpen, het is niet hetzelfde als
het kennen van woorden en begrippen. Je moet er rijp en ontvankelijk
voor zijn, voor gemaakt worden.
De bemoediging die dit evangelie ons wil geven lijkt mij er vooral
in te liggen dat deze woorden ons wijzen op verwondering, op de
stille verwondering of worsteling om er bij blijven als alles roept
om af te haken, het zelf wel te bepalen.
Want er klinkt ook
een belofte: “Wanneer hij komt, de Geest van Waarheid, die zal
jullie de weg wijzen naar de volle waarheid”. ‘Waarheid’: dat wil
zeggen wat leven is òf schijn en bedrog, wat luisteren naar God is
òf gehoor geven aan eigen fantasie of waanbeelden.
“Wanneer die komt…”, ja, dat hebben we vorige week gevierd. Hij is
gekomen, maar de Geest van waarheid is geen veilig bezit. “Hij zal
de weg wijzen” – zoiets is niet nodig zolang de weg bekend is, maar
als je het spoor bijster bent, als er iets ontstaat van keuze, van
beslissing waar je de consequenties niet van kunt overzien. Op zulke
momenten, soms zo onmerkbaar klein, soms heel indringend, worden we
geleid, wordt onze verantwoordelijkheid meegedragen.
Deze Geest van waarheid spreekt niet eigenmachtig, maar brengt in
dat wel en wee van ieder van ons iets teweeg van dat onbegrijpelijke
‘alles wat de Vader heeft is het mijne…’. ‘Alles wat de Vader
heeft…’, Mozes heeft het gehoord, en Jezus: De HEER is een
barmhartige en genadige God, geduldig, groot in liefde en trouw…
Dat hier en nu, op deze plek met deze mensen waar je bent.
Bagage voor onderweg, dat zijn deze paar zinnen van het evangelie.
Deze enkele woorden van niet zomaar iemand die zijn leven met ons
wil delen om ons leven tot de volle maat te brengen. Het zijn
woorden om stil en dankbaar bij te zijn, om over onze grenzen heen
te stappen en te durven ontvangen wat we zijn. Daarom: “Wees onze
toekomst ongezien! Maak met ons uw toekomst, kome wat komt”.
|